Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Tijgerzanger
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae
Tijgerzanger | Setophaga tigrina
Cape May Warbler | Chipe atigrado
De tijgerzanger is een kleine, gestreepte zanger met een geelgroene stuit en een dunne, licht gebogen snavel. Hij broedt in het naaldbos van Canada en overwintert vooral in West-Indië. In het gidsgebied is hij een schaarse wintergast, vooral op het schiereiland Yucatán en de eilanden voor de Caribische kust.
Geluid
De zang is een reeks van vier tot acht zeer hoge, dunne, gelijke noten, ongeveer sie sie sie sie; in het gidsgebied zelden te horen. De roep is een hoog, dun tsiet, de vluchtroep een fijn, zoemend tsie.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–14 cm. Dunne, spitse, iets gebogen snavel en een korte staart. Het mannetje in prachtkleed heeft een kastanjebruine wang, een gele halszijde, een grote witte vleugelvlek en gele onderdelen met dichte zwarte strepen. In winterkleed, zoals meestal in het gidsgebied: grijsgroene bovendelen, een geelgroene stuit, een vage gele vlek op de halszijde, een smalle witte vleugelstreep en vuilwitte tot bleekgele onderdelen met fijne, donkere strepen over borst en flanken. Jonge vrouwtjes zijn erg grauw, met nauwelijks geel.
Verwarringssoorten
De mirtezanger Setophaga coronata heeft een heldergele stuit, gele vlekken op de flanken en een dikkere snavel. De palmzanger Setophaga palmarum heeft gele onderstaartdekveren, een lichte wenkbrauwstreep en wipt voortdurend met de staart. De magnoliazanger Setophaga magnolia heeft een gele stuit en een witte band midden over de staart. De sparrenzanger Setophaga fusca heeft in winterkleed een lichte streep langs de rug en een geeloranje keel.
Leefgebied
In de winter tuinen, parken, bosranden, droog seizoensbos, kustbegroeiing en mangrove, vaak bij bloeiende bomen; meestal beneden 500 m. Zoekt in de kruinen naar insecten en drinkt ook nectar en sap van rijp fruit, waarbij hij bloemen en vruchten met de snavel doorprikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Broedt in het boreale naaldbos van Canada en het noorden van de Verenigde Staten. Overwintert vooral in West-Indië. In het gidsgebied schaars op het schiereiland Yucatán, vooral in Quintana Roo en op Cozumel, en op de eilanden voor de kust van Belize en Honduras; zeldzaam elders in Midden-Amerika en in het oosten van Mexico.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bloeiende bomen in tuinen en dorpen op het schiereiland Yucatán en de eilanden voor de Caribische kust zijn de plek om deze soort in de winter te vinden; let daar op een gestreepte zanger die nectar drinkt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De populatie is groot, maar schommelt sterk mee met plagen van de sparrenknopworm in het broedgebied.
Wetenschappelijke naam
Setophaga tigrina | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla tigrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Setophaga werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Setophaga is Grieks, van sēs, sētos 'mot' en -phagos 'etend': 'motteneter'. tigrina is Latijn voor 'getijgerd', naar de zwarte strepen op de gele borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Canada (niet nader bepaald).




