Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Treursijs

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Valken, papegaaien en zangvogels Australaves › Valken en zangvogels Eufalconimorphae › Papegaaien en zangvogels Psittacopasserae

Treursijs | Spinus tristis

American Goldfinch | Jilguero canario

De treursijs is een Noord-Amerikaanse sijs waarvan het mannetje in de zomer heldergeel is met een zwart voorhoofd en zwarte vleugels. In het gidsgebied is hij vooral een wintergast in het noorden en midden van Mexico, dan in een bruinig olijfkleurig winterkleed. Groepen zoeken voedsel in onkruidvelden, langs rivieren en in tuinen.

Treursijs (Spinus tristis)
Foto: ShenandoahNPS — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

In de vlucht een kenmerkend, golvend pe-tsjie-tsje-tsje, op elke golf herhaald; daarnaast een stijgend toe-wie. De zang is een lange, vrolijke reeks van getjilp en trillers, vooral te horen tegen het einde van de winter.

Luister: VluchtroepXC1165966

Opname: Don Profota — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–13 cm. Snavel kegelvormig, in de winter donker, in de zomer oranjeroze. Mannetje in zomerkleed heldergeel met een zwart voorhoofd, zwarte vleugels met een witte vleugelstreep en een zwarte staart met wit. Het vrouwtje is olijfgeel met zwartachtige vleugels. In winterkleed zijn beide seksen bruinig olijf tot grijsbruin met een gele zweem op keel en gezicht, zwartachtige vleugels met brede, lichte vleugelstrepen en een witte onderstaart; het mannetje heeft een gele schoudervlek.

Verwarrings­soorten

De witbandsijs Spinus psaltria is kleiner, heeft een witte vlek aan de basis van de handpennen en een gele, geen witte, onderstaart; vrouwtjes zijn groener en geler. De maskergeelvink Spinus lawrencei is grijs met geel op de borst en gele vleugelstrepen. De dennensijs Spinus pinus is overal gestreept.

Leefgebied

In de winter open terrein met onkruid en distels, akkers, oeverbos langs rivieren, struikland, parken, tuinen en voedertafels, van het laagland tot in de hooglanden. Broedt in het noorden van Baja California in oeverbos en open bos. Eet vrijwel uitsluitend zaden. Leeft in groepen, vaak samen met andere sijzen.

Verspreiding en trek

Broedt in het zuiden van Canada en een groot deel van de Verenigde Staten, en plaatselijk in het noorden van Baja California. Overwintert in de Verenigde Staten en in het noorden en midden van Mexico, zuidelijk tot ongeveer Jalisco, Michoacán, de vallei van Mexico en Veracruz; zeldzaam verder zuidelijk.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter vaak bij groepen witbandsijzen in onkruidvelden en langs rivieren in het noorden van Mexico; de golvende vlucht met bijbehorende roep maakt hem ook op afstand herkenbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). Zeer talrijk in Noord-Amerika; in het gidsgebied een vrij algemene wintergast in het noorden, schaarser naar het zuiden. De aantallen wisselen van winter tot winter.

Wetenschappelijke naam

Spinus tristis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fringilla tristis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spinus werd in 1816 ingevoerd door Koch. Spinus gaat terug op het Oudgriekse spinos, de naam van een kleine vogel die niet meer met zekerheid thuis te brengen is. tristis is Latijn voor 'treurig, somber'; waarom Linnaeus deze heldergele vink zo noemde, is niet duidelijk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina (VS).