Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Westelijke schreeuwuil
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Landvogels Telluraves › Roofvogels, uilen, ijsvogels en spechten Afroaves › Havikachtigen en uilen Hieraves
Westelijke schreeuwuil | Megascops kennicottii
Western Screech Owl | Tecolote del oeste
De westelijke schreeuwuil is een kleine, grijze uil met oorpluimen van het westen van Noord-Amerika, die in het gidsgebied in het noorden en midden van Mexico voorkomt. Hij leeft in woestijn met zuilcactussen, oeverbos, eikenbos en ook in parken en tuinen. Ondanks de naam schreeuwt hij niet: de zang is een reeks korte fluittonen die steeds sneller op elkaar volgen. Hij is uitsluitend ’s nachts actief.
Geluid
De zang is een reeks van ongeveer tien korte, holle fluittonen op dezelfde toonhoogte, die steeds sneller op elkaar volgen: poe… poe… poe-poe-poe-poe-poeroe, in het ritme van een stuiterende bal die tot stilstand komt. Daarnaast een dubbele triller, een korte roffel gevolgd door een langere, waarmee de partners contact houden. Het mannetje zingt lager dan het vrouwtje; bij verstoring klinken scherpe blafjes.
Opname: David Tattersley — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19–25 cm, gedrongen, met een vierkante kop, korte staart en oorpluimen die bij onrust rechtop staan. Het verenkleed is grijs tot grijsbruin, fijn gemarmerd met zwarte lengtestrepen en dwarsstreepjes, als boomschors. De ogen zijn geel, de snavel is donkergrijs tot zwartachtig. Een roodbruine vorm komt bij deze soort niet voor. De vogels van de woestijnen van Baja California en Sonora zijn bleek en zandkleurig grijs. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk; het vrouwtje is zwaarder.
Verwarringssoorten
De oostelijke schreeuwuil Megascops asio, in het noordoosten van Mexico, lijkt sterk, maar heeft een bleke, geelgroene snavel en zingt een dalend gehinnik en een gelijkmatige, snorrende triller. De gevlekte schreeuwuil Megascops trichopsis leeft in de bergen in eiken- en pijn-eikenbos, is iets kleiner, heeft grovere dwarsbanden op de onderdelen en zingt een gelijkmatige of morse-achtige reeks toetjes. De balsasschreeuwuil Megascops seductus, in het zuidwesten van Mexico, heeft donkere ogen. De Amerikaanse dwergooruil Psiloscops flammeolus is veel kleiner, heeft donkere ogen en roept één lage toon.
Leefgebied
Woestijn met zuilcactussen zoals saguaro en cardón, doornstruweel, oeverbos met populieren, platanen en eiken langs beken en droge rivierbeddingen, eiken- en pijn-eikenbos tot ongeveer 2500 m, mesquitestruweel en het struweel van de hoogvlakte; ook parken, tuinen en dorpen met oude bomen. Broedt in oude spechtenholen, natuurlijke boomholten en holten in zuilcactussen. Jaagt ’s nachts vanaf een zitpost op grote insecten, schorpioenen, muizen, kleine vogels en hagedissen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Standvogel in het noorden en midden van Mexico: in heel Baja California en Baja California Sur, in Sonora, Chihuahua, Coahuila en het westen van Nuevo León, en zuidwaarts in Sinaloa, Durango en over de hoogvlakte, door Zacatecas, Aguascalientes, San Luis Potosí, Jalisco, Guanajuato en Querétaro tot Hidalgo, de vallei van Mexico, Tlaxcala, Puebla en het noorden van Michoacán. Buiten het gidsgebied van het zuidoosten van Alaska en het zuidwesten van Canada door het westen van de Verenigde Staten tot het westen van Texas.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Baja California Sur en Sonora is de zang na zonsondergang te horen in cactusbos en langs droge rivierbeddingen met grote bomen; in de vallei van Mexico zit hij ook in parken en tuinen met oude bomen. Overdag zit hij met platgestreken veren tegen een stam of in een holte en is dan nauwelijks te vinden; kleine zangvogels die hem luid alarmerend omringen, verraden soms zijn rustplaats.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In Mexico plaatselijk algemeen; de soort past zich goed aan aan tuinen en dorpen met oude bomen, maar is afhankelijk van holten en verdwijnt waar oude bomen en zuilcactussen worden gekapt.
Wetenschappelijke naam
Megascops kennicottii | (Elliot, 1867)
Elliot beschreef de soort in 1867 als Scops Kennicottii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Megascops werd in 1848 ingevoerd door Kaup. Megascops combineert het Griekse megas 'groot' met Scops, de oude geslachtsnaam van de dwergooruilen. kennicottii eert de Amerikaanse natuuronderzoeker Robert Kennicott (1835–1866), ontdekkingsreiziger in Alaska. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sitka, Alaska.






