Alle soorten › Zonneralachtigen › Zonnerallen › Zonneral

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Keerkringvogels en watervogels Phaethoquornithes › Keerkringvogels en zonnerallen Phaethontimorphae

Zonneral | Eurypyga helias

Sunbittern | Garza del sol

De zonneral is een slanke, langhalzige vogel van bosbeken, de enige soort in zijn familie. Zijn naaste verwant is de kagoe van Nieuw-Caledonië. In rust is hij gecamoufleerd in grijs en bruin, maar bij dreiging of balts spreidt hij vleugels en staart en toont hij een groot patroon in oranje, geel en zwart dat op twee ogen lijkt. In het gidsgebied leeft de ondersoort E. h. major, van de Caribische helling van Guatemala tot Panama.

Zonneral (Eurypyga helias)
Foto: Kathy & sam from Beaverton OR, USA — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, lang aangehouden, dun fluitje, wiiiiiii, soms licht stijgend of dalend, vaak vanaf een tak boven het water. Bij verstoring en in de buurt van het nest ook een sissend geluid en een droog geratel.

Luister: ZangXC908748

Opname: JAYRSON ARAUJO DE OLIVEIRA — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

43–48 cm. Een slanke, horizontaal gehouden vogel met een kleine kop, een dunne lange hals, een lange, rechte, dolkvormige snavel, een lange, brede staart en vrij korte oranje poten. De kop is zwart met een witte streep boven en een witte streep onder het oog; de keel is wit. Hals, borst en bovendelen zijn fijn gebandeerd en gevlekt in grijs, bruin, olijf en zwart; de buik is licht bruingeel. De bovensnavel is zwart, de ondersnavel oranje. De staart is grijs met fijne golflijntjes en twee brede zwarte en roodbruine banden. Met gespreide vleugels verschijnt op elke vleugel een grote vlek in kastanjebruin, oranjegeel en zwart, omgeven door grijze en witte banden. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. Loopt langzaam en behoedzaam, met de hals ingetrokken en de kop naar voren gestoken.

Verwarrings­soorten

De kleine fuutkoet Heliornis fulica leeft aan dezelfde beken, maar zwemt vooral, is kleiner en heeft een korte snavel en zwart-wit gestreepte kop en hals. De Mexicaanse tijgerroerdomp Tigrisoma mexicanum en de gestreepte tijgerroerdomp Tigrisoma fasciatum zijn veel groter en zwaarder, met een kale gele of groenige keel en zonder kleurig vleugelpatroon. Strandlopers en de kleine groene reiger missen de lange, brede staart en de zwart-witte kop.

Leefgebied

Schaduwrijke beken en riviertjes met stenen, grind en zandbanken in vochtig bos, ook oevers van poelen en moerasbos; vooral in heuvel- en voetheuvelland tot ongeveer 1200 m, plaatselijk in het laagland. Zoekt langzaam lopend langs de oever en in ondiep water naar insecten, kreeftachtigen, kikkers en kleine vissen, die met een snelle uitval van de snavel worden gepakt. Het nest is een bolvormige kom van modder en plantenmateriaal op een tak boven of bij het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.

Verspreiding en trek

Van de Caribische helling van Guatemala (Izabal) via de Caribische helling van Honduras en Nicaragua tot Costa Rica en Panama, waar de soort op beide hellingen voorkomt. Uit het zuiden van Mexico (Chiapas) zijn alleen oude meldingen bekend; daar is zij mogelijk verdwenen. Buiten het gidsgebied in het noorden van Zuid-Amerika en het Amazonegebied, zuidelijk tot Bolivia en het midden van Brazilië.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Langzaam lopen of wachten langs heldere bosbeken in het voetheuvelland, zoals op de Caribische helling van Costa Rica en in het westen van Panama, biedt de meeste kans. Het hoge, aangehouden fluitje verraadt de vogel vaak eerder dan hij te zien is. Bij het opvliegen worden de oranje vleugelvlekken zichtbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is in een groot deel van haar areaal schaars en gevoelig voor ontbossing langs beken en voor vervuiling en verstoring van het water. In het noorden van het gidsgebied zeldzaam en plaatselijk; in Costa Rica en Panama het meest verspreid.

Wetenschappelijke naam

Eurypyga helias | (Pallas, 1781)

Pallas beschreef de soort in 1781 als Ardea helias; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eurypyga werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Eurypyga is Grieks, van eurus 'breed' en pugē 'stuit, staart', naar de brede, waaiervormig gespreide staart. helias is Grieks hēlias 'van de zon', naar de zonvormige, oogachtige vlekken op de gespreide vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Suriname.