Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Zwarte steenloper
Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Alle overige moderne vogels Neoaves › Vogels van de elementen Elementaves › Kraanvogels en steltlopers Gruimorphae
Zwarte steenloper | Arenaria melanocephala
Black Turnstone | Vuelvepiedras negro
De zwarte steenloper is een donkere, gedrongen steltloper van de rotskusten van de Grote Oceaan, bijna zwart van boven en wit van onder, met korte dofrode poten en een korte, spitse snavel waarmee hij stenen en wier omkeert. Hij broedt vrijwel uitsluitend in het westen van Alaska en bereikt in het gidsgebied de zuidgrens van zijn wintergebied, langs de kusten van Baja California en de Golf van Californië.
Geluid
Een hoge, droge, ratelende triller, skirrr, hoger en droger dan de roep van de steenloper; bij het opvliegen kortere, scherpe tonen in reeksjes. Groepen op de rotsen laten vaak een aanhoudend geratel horen.
Opname: Paul Marvin — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
22–25 cm, gedrongen, met een korte, spitse zwarte snavel en korte, dofrode tot bruinrode poten. In winterkleed egaal zwartbruin op kop, borst en bovendelen, scherp afgegrensd tegen de witte buik. In broedkleed, in het voorjaar, zwarter, met een witte vlek tussen snavel en oog, een witte wenkbrauwstreep en witte spikkels op de borstzijden. Jonge vogels zijn doffer bruinzwart, met smalle lichte veerzomen. In vlucht een opvallend patroon: witte vleugelstrepen, een witte wig over de rug, witte schoudervlekken en een witte staart met een brede zwarte eindband.
Verwarringssoorten
De steenloper Arenaria interpres zit op dezelfde rotsen, maar is bruiner en lichter, met een bonte kop, een onregelmatige donkere borstband en helder oranje poten. De brandingloper Calidris virgata is grijzer en forser, met een dikke snavel met gele basis, groengele poten en in vlucht geen witte wig over de rug. De Amerikaanse grijze ruiter Tringa incana is egaal grijs, langer van poot en snavel, en toont in vlucht geen wit.
Leefgebied
Rotskusten met golfslag, wierbedekte rotsplaten, keienstranden, rotseilandjes, golfbrekers, pieren en havenhoofden; aangrenzend slik en zand alleen waar rotsen in de buurt liggen. Keert stenen en wier om en wrikt zeepokken, slakjes en kleine kreeftachtigen los. Bij hoogwater rusten groepen op hoger gelegen rotsen, vaak samen met brandinglopers en steenlopers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van Mexico en Midden-Amerika.
Verspreiding en trek
Wintergast langs de Pacifische kust van Baja California en in de Golf van Californië, langs de kusten van Baja California Sur en Sonora en zuidelijk tot in Sinaloa; verder naar het zuiden zeer schaars en elders in het gidsgebied afwezig. Het talrijkst langs de noordelijke westkust van Baja California. Buiten het gidsgebied broedt de soort vrijwel uitsluitend in het westen van Alaska, vooral in de delta van de Yukon en de Kuskokwim, en overwintert zij langs de rotskusten van de Grote Oceaan van Zuidoost-Alaska tot Californië.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Golfbrekers en rotsige kapen langs de westkust van Baja California en havens aan de Golf van Californië, rond laagwater. Tegen natte, donkere rots vallen de vogels pas op als ze bewegen; bij het opvliegen toont de groep het zwart-witte vluchtpatroon.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Bijna de hele populatie broedt in één klein gebied in Alaska en overwintert langs één kustlijn, waardoor olievervuiling en verstoring op een paar plaatsen een groot deel van de soort kunnen treffen. Tellingen langs de westkust van de Verenigde Staten wijzen op een afname.
Wetenschappelijke naam
Arenaria melanocephala | (Vigors, 1829)
Vigors beschreef de soort in 1829 als Strepsilas melanocephalus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Arenaria werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Arenaria komt van Latijn arenarius 'in het zand levend', van arena 'zand'. melanocephala is Grieks, van melas 'zwart' en kephalē 'kop', naar de zwarte kop en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de noordwestkust van Noord-Amerika.



