Alle soorten › Hoenderachtigen › Tandkwartels › Zwartkeelboomkwartel

Plaats in de stamboom Vogels Aves › Vogels met een beweeglijk verhemelte Neognathae › Eend- en hoendervogels Galloanserae

Zwartkeelboomkwartel | Colinus nigrogularis

Yucatan Bobwhite | Codorniz yucateca

De zwartkeelboomkwartel is de bobwhite van het schiereiland Yucatán en de pijnsavannes van Belize, Guatemala, Honduras en Nicaragua. Het mannetje valt op door zijn zwarte keel met witte omlijsting en de sterk geschubde onderdelen. De soort komt buiten het gidsgebied niet voor.

Zwartkeelboomkwartel (Colinus nigrogularis)
Foto: Annika Lindqvist — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept een helder fluitend bob-WHAIT, sterk gelijkend op dat van de Virginiaanse boomkwartel, vooral in de broedtijd. Groepsleden houden contact met zachte roepjes.

Luister: ZangXC332427

Opname: Ross Gallardy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–22 cm; een kleine, ronde kwartel met een korte staart en een korte kuif. Het mannetje heeft een zwarte keel met een witte rand, een wit voorhoofd en een witte wenkbrauwstreep, een zwarte oogstreep en een zwarte kruin. De bovendelen zijn roodbruin met witte spikkels; de borst en buik zijn wit met zwarte randen aan de veren, wat een opvallend geschubd patroon geeft, en de onderstaartdekveren zijn kaneelkleurig. Het vrouwtje heeft een okerkleurige keel en wenkbrauwstreep, een zwart-met-lichte achterhals en mantel, en een witte borst en buik met roodbruine en zwarte bandering. Er worden vier ondersoorten onderscheiden.

Verwarrings­soorten

De Virginiaanse boomkwartel Colinus virginianus leeft verder naar het westen en noorden en overlapt niet; zwartkelige vormen daarvan missen de witte rand om de keel en hebben minder sterk geschubde onderdelen. De vlekbuikbobwhite Colinus leucopogon in Honduras heeft een witte of bruine keel en witte vlekken op een bruine buik. De zangkwartel Dactylortyx thoracicus leeft in bos en heeft een egaal kaneelkleurige of grijze keel zonder schubbentekening.

Leefgebied

Open plekken in bos, pijnsavanne, ruig grasland, akkers met onkruid en randen, plantages en struikgewas in het droge en halfdroge laagland, plaatselijk ook langs mangroven aan de kust. Leeft buiten de broedtijd in groepjes op de grond. Eet zaden, scheuten en insecten.

Verspreiding en trek

Op het schiereiland Yucatán (Yucatán, Campeche, Quintana Roo), in Belize, in het noorden van Guatemala (Petén), en na een onderbreking in de pijnsavannes van de Mosquitia in het oosten van Honduras en het noordoosten van Nicaragua. De soort komt buiten het gidsgebied niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op het schiereiland Yucatán zijn groepjes vroeg in de ochtend te zien langs onverharde wegen door struikgewas en akkers, onder meer rond de archeologische terreinen in het noorden van Yucatán. In Belize is de soort plaatselijk algemeen in de pijnsavannes van het binnenland.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie is stabiel en de soort profiteert plaatselijk van open, door de mens beïnvloed landschap.

Wetenschappelijke naam

Colinus nigrogularis | (Gould, 1843)

Gould beschreef de soort in 1843 als Ortyx nigrogularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Colinus werd in 1820 ingevoerd door Goldfuss. Colinus gaat terug op het Nahuatl zōlin, 'kwartel'. nigrogularis is Latijn, van niger 'zwart' en gula 'keel', naar de zwarte keel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Yucatán, Mexico.