Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Blauwe reiger

Blauwe reiger | Ardea cinerea

Grey Heron | Garza real

De bekende grote grijze reiger van Europa, die in het gidsgebied vooral als wintergast en doortrekker voorkomt, van de merja's van Marokko tot de kusten van Oman. Als broedvogel is hij hier schaarser en verspreider dan in Europa, maar opvallend is dat hij ook op kale eilandjes en in mangroven aan de Rode Zee broedt.

Blauwe reiger (Ardea cinerea)
Foto: Stefankns — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, rauw kraaink of fraank, vooral bij opvliegen en in de vlucht; in de kolonie snavelgeklepper en schorre geluiden.

Luister: VluchtroepXC1186017

Opname: Aku Kalliomäki — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Groot, met een lange hals en een zware, dolkvormige gele snavel. Volwassen vogels zijn grijs van boven, met een witte kop en hals, een brede zwarte streep van boven het oog naar de achterkop die uitloopt in een dunne zwarte kuif, en een rij zwarte strepen op de voorhals; de schouders hebben zwarte vlekken. De poten zijn geelbruin, in de broedtijd kort oranjerood net als de snavel. Jonge vogels zijn egaler grijs met een grijze kruin en een donkerder snavel. In vlucht traag en zwaar, met gebogen vleugels en ingetrokken hals; de bovenvleugel toont donkere slagpennen tegen grijze dekveren.

Verwarrings­soorten

De purperreiger (Ardea purpurea) is kleiner, slanker en donkerder, met roestbruine kop en hals. De zwartkopreiger (Ardea melanocephala), een dwaalgast in Zuidwest-Arabië, heeft een zwarte kop en achterhals, zwarte poten en in vlucht een zwart-witte ondervleugel. De goliathreiger (Ardea goliath) is veel groter en roestbruin. De donkere vorm van de westelijke rifreiger (Egretta gularis) is veel kleiner, leigrijs met een witte keel.

Leefgebied

Bijna elk water met vis: rivieren, kanalen, meren, stuwmeren, visvijvers, moerassen, lagunes, getijdenvlakten, rotskusten en mangroven. Jaagt staand of langzaam schrijdend, ook op knaagdieren in velden. Broedt in kolonies in hoge bomen, riet of, aan de Rode Zee en in de Golf, op de grond en in lage struiken op eilandjes en in mangroven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Noord-Afrika broedt hij in kleine aantallen in Marokko, Noord-Algerije (El Kala, Lac Tonga, Lac Fetzara) en Tunesië; in Egypte vooral wintergast op de deltameren en langs de Nijl, met broedgevallen op de eilanden van de zuidelijke Rode Zee. In het oosten broedt hij in de moerassen van Zuid-Irak, in Syrië en in kleine aantallen in Israël. In Arabië broedt hij op eilandjes en in mangroven langs de Rode Zeekust van Saoedi-Arabië (onder meer de Farasan-eilanden) en Jemen, en plaatselijk op eilanden in de Golf. In de winter verspreid over het hele gebied: talrijk op de wetlands van de Maghreb en de Nijldelta, langs de Golfkust van Koeweit tot de Emiraten, in Oman en langs de Rode Zee; ook in het binnenland bij stuwmeren en waterzuiveringen. Op trek over de Sahara, met rustende vogels bij oases, en door de Jordaanvallei. Daarbuiten broedt hij in vrijwel heel Europa en Azië en in Afrika ten zuiden van de Sahara, met onder meer de bleke vorm monicae op de Banc d'Arguin in Mauritanië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter langs elke Golfkust en lagune moeilijk te missen; de mangroven van Abu Dhabi en Khor Kalba, de deltameren van Egypte en Merja Zerga houden er vele. Voor broedende vogels in een bijzondere setting: de eilandjes van de Farasan-groep en andere Rode Zee-eilanden, waar ze tussen sterns en rifreigers op de grond nestelen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Europa na bescherming sterk toegenomen. In het gidsgebied lokaal bedreigd door jacht, verstoring van kolonies en het verdwijnen van moerassen, zoals in Irak in de jaren negentig; de kleine broedpopulaties op de Rode Zee-eilanden zijn kwetsbaar voor verstoring door vissers en toerisme.

Wetenschappelijke naam

Ardea cinerea | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea voerde hij in datzelfde werk in. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.