Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dwergstern

Dwergstern | Sternula albifrons

Little Tern | Charrancito común

De kleinste stern van het gebied, een levendige vogel met snelle vleugelslagen die boven ondiep water bidt en zich dan pijlsnel naar beneden laat vallen. Hij broedt verspreid langs de Noord-Afrikaanse kusten, in de Nijldelta en -vallei, in de Levant en in Mesopotamië, en trekt in groten getale door de Rode Zee en de Golf.

Dwergstern (Sternula albifrons)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, scherp kriek of kit, en een snel, druk gekwetter kirri-kirri-kirri in de broedkolonie.

Luister: VluchtroepXC1183138

Opname: Ricardo Hevia — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en slank, lichtgrijs van boven en wit van onder. In de broedtijd zwarte kap met een scherp afgegrensde witte voorhoofdsvlek die tot boven het oog reikt en een spits naar achteren uitloopt; de gele snavel heeft een zwarte punt, de poten zijn oranjegeel. Stuit en staart wit, de staart kort gevorkt. In vlucht vallen de twee à drie donkere buitenste handpennen op als een smalle zwarte wig aan de voorrand. Buiten de broedtijd en bij jonge vogels is het voorhoofd uitgebreid wit, de snavel donker en een donkere baan over de kleine dekveren zichtbaar.

Verwarrings­soorten

Saunders' dwergstern (Sternula saundersi) lijkt er sterk op; hij heeft in de broedtijd een kleinere, rechthoekige witte voorhoofdsvlek die niet tot achter het oog reikt, grijze in plaats van witte stuit en middelste staartpennen, drie à vier zwartere buitenste handpennen met donkere schachten, en doffere, bruinige of olijfkleurige poten. Buiten de broedtijd zijn beide soorten vaak niet met zekerheid te scheiden. Alle andere sterns in het gebied zijn duidelijk groter.

Leefgebied

Zandstranden, schelpenbanken en kale oevers van kustlagunes, zoutpannen en sebkha's; in Egypte en Irak ook zandbanken in rivieren, irrigatiekanalen en meren in het binnenland. Foerageert boven ondiep, helder water. Broedt in losse kolonies op kale, open plekken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Noord-Afrika langs de kust van Marokko (onder meer de Moulouya-monding en Merja Zerga), Algerije en Tunesië (golf van Gabès, Kneiss), plaatselijk in Libië, en in Egypte in de Nijldelta, langs de Middellandse Zeekust (Bardawilmeer) en in de Nijlvallei. In het oosten broedt hij in kleine aantallen in Israël, Syrië en Libanon, en in Irak in de Mesopotamische moerassen en langs Eufraat en Tigris; verder in Koeweit. Doortrekker langs alle kusten, ook in de Rode Zee en de Perzische Golf, waar enkele overwinteren. In Arabië is hij als broedvogel grotendeels vervangen door Saunders' dwergstern. Daarbuiten broedt hij van Europa tot Japan en Australië en overwintert hij langs de kusten van Afrika en Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Egypte zijn ze in de zomer goed te zien bij het Manzalameer en het Burullusmeer in de Nijldelta. In Marokko broeden ze op de stranden bij de monding van de Moulouya. Let in Arabië en de Rode Zee goed op de stuit en de handpennen: daar overlapt hij met Saunders' dwergstern.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in het Middellandse Zeegebied kwetsbaar. De broedplaatsen op stranden worden bedreigd door toerisme, strandrecreatie, loslopende honden, kustbebouwing en schommelende waterstanden; in de Nijldelta ook door de omvorming van meren tot viskwekerijen.

Wetenschappelijke naam

Sternula albifrons | (Pallas, 1764)

Pallas beschreef de soort in 1764 als Sterna albifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sternula werd in 1822 ingevoerd door Boie. Sternula is een Latijnse verkleinvorm van Sterna en betekent dus 'sterntje'. albifrons is Latijn, van albus 'wit' en frons 'voorhoofd', naar het witte voorhoofd boven de zwarte kap. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Maasland in Nederland.