Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Grasmus

Grasmus | Curruca communis

Greater Whitethroat | Curruca zarcera

De grasmus is de gewone, langstaartige struweelgrasmus van Europa, die in het gidsgebied broedt in de bergen van de Maghreb en de Levant en in voor- en najaar in grote aantallen door het hele gebied trekt, op weg naar en van de Sahel. Een levendig vogeltje met een roestbruine vleugel en een witte keel, dat zingend opfladdert boven een braamstruik.

Grasmus (Curruca communis)
Foto: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, haastige, krassende babbel van twee tot drie seconden, tsjer-witsjer-witsjer-tsjuwie, gezongen vanaf een uitstekende twijg of in een baltsvlucht waarbij de vogel schuin omhoog fladdert en zingend terugzakt. De roep is een hard tsjek en een raspend, langgerekt tsjèèèr bij onrust; doortrekkers laten ook een zacht wèd-wèd horen.

Luister: ZangXC1173771

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Slank en langstaartig met een breed roestbruin vleugelpaneel van brede randen aan armpennen en tertials. De keel is helder wit, de poten zijn licht strokleurig tot vleeskleurig, de staart heeft witte buitenste pennen. Het mannetje heeft een asgrijze kop met een smalle witte oogring en een roze waas op de borst; het vrouwtje en jonge vogels zijn bruiner van kop en vaalder beige onder. De oostelijke vorm icterops in de Levant en Irak is grijzer van boven, met een minder warm vleugelpaneel. Zet vaak de kruinveren op, wat een hoekig kopje geeft.

Verwarrings­soorten

De braamsluiper (Curruca curruca) heeft donkergrijze poten, een egaal grijsbruine vleugel zonder roestbruin en een donker oormasker tegen een grijze kruin. De brilgrasmus (Curruca conspicillata) is kleiner en korter van vleugel, met donkere teugels, een brede witte oogring en een nog feller roestrood vleugelpaneel. De Atlasgrasmus (Curruca deserticola) heeft een oranjebruine onderkant tot op de buik. De sperwergrasmus (Curruca nisoria) is veel forser, met een gele iris en lichte vleugelstrepen.

Leefgebied

Open landschap met dicht laag struweel: maquis, bramen en doornstruiken langs akkers, heggen, struweel op berghellingen tot boven 2000 m in de Atlas en de Libanon, en ruige randen van boomgaarden. Op trek in elk struweel, in tuinen, oases, dadelpalmtuinen, tamarisken en zelfs in kleine struikjes midden in de woestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in de Maghreb van Noord-Marokko en de Atlas door Noord-Algerije tot Noord-Tunesië, en in Noordoost-Libië (Jebel Akhdar in Cyrenaica). In het oosten (vorm icterops) in Libanon, Syrië, Noord-Israël (Golan, Hermon), Noordwest-Jordanië en Noord-Irak (Koerdistan). Op doortrek in het hele gebied: in groten getale door de Sahara, Egypte en de Nijlvallei, de Sinaï en Israël, en door heel Arabië tot Jemen en Oman, in het voorjaar vooral in april en mei. Overwintert in de Sahel en Oost-Afrika; in het gidsgebied hooguit een enkele overwinteraar in Jemen. Daarbuiten broedt hij in vrijwel heel Europa, Turkije en West- en Centraal-Azië.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In mei in het struweel van de Middel-Atlas of in de Libanon, waar zingende mannetjes vanaf de struiken opvliegen. Op doortrek in april en mei en in september is hij in elk struikje rond Eilat, in de oases van de Westelijke Woestijn en in de tuinen van de Golfstaten te vinden; let op het harde tsjek.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Na de grote Sahel-droogte van eind jaren zestig sterk teruggevallen in Europa, daarna grotendeels hersteld. In het gidsgebied plaatselijk achteruitgegaan door het verdwijnen van heggen en struweel en door intensivering van de landbouw; op trek kwetsbaar voor vogelvangst langs de Libische en Egyptische kust.

Wetenschappelijke naam

Curruca communis | (Latham, 1787) (GBIF: Sylvia communis)

Latham beschreef de soort in 1787 als Sylvia communis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. communis is Latijn voor 'gewoon, algemeen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kent in Engeland.