Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Sperwergrasmus
Sperwergrasmus | Curruca nisoria
Barred Warbler | Curruca gavilana
De sperwergrasmus is de grootste grasmus van het gebied en een schaarse, verborgen levende doortrekker. Hij broedt in Midden- en Oost-Europa en Centraal-Azië en overwintert in Oost-Afrika; zijn trekroute loopt in het najaar vooral over het Arabisch Schiereiland, in het voorjaar meer over de Levant en Egypte.
Geluid
Doortrekkers zijn meestal stil. De roep is een droge, ratelende trrrrr, harder en langer dan bij de braamsluiper, en een hard tsjek. De zang, in het voorjaar soms te horen, lijkt op die van de tuinfluiter maar is korter, hakkeriger en wordt onderbroken door ratels.
Opname: Grzegorz Lorek — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
15,5–17 cm. Groot, zwaar en langstaartig, met een dikke snavel. Volwassen mannetjes zijn grijs boven, met over de hele onderkant donkere, halvemaanvormige dwarsbandjes, een felgele iris, twee smalle witte vleugelstrepen, witte tertialranden en witte punten aan de buitenste staartpennen; vrouwtjes zijn bruiner en minder gebandeerd. Eerstejaars vogels, die in de herfst het meest worden gezien, zijn grauw grijsbruin met een donker oog en vrijwel zonder bandering, maar met lichte randen aan vleugeldekveren en tertials en donkere halve maantjes op de onderstaartdekveren.
Verwarringssoorten
Jonge vogels lijken op een grote tuinfluiter (Sylvia borin), maar die heeft geen lichte vleugelranden of geschubde onderstaartdekveren en is kleiner en korterstaartig. De Arabische zwartkop (Curruca leucomelaena) en de oostelijke orpheusgrasmus (Curruca crassirostris) hebben een donkere kap en geen bandering. De grauwe klauwier (Lanius collurio), met wie hij op de trek vaak dezelfde struiken deelt, is in het jeugdkleed eveneens gebandeerd, maar heeft een haaksnavel, een donker oormasker en een roodbruine staart.
Leefgebied
Op de trek in dicht struweel en ruigte: acaciastruweel, tamarisk en doornstruiken in wadi's en op de Arabische vlakten, kustvegetatie, oases, tuinen en heggen in landbouwgebied. Zit vaak lang verscholen en beweegt traag en log door de takken. Eet insecten en in het najaar veel bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Schaarse doortrekker in het oostelijke deel van het gebied. In het najaar, van augustus tot oktober, vooral over het Arabisch Schiereiland: in Koeweit, Oost-Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Emiraten, Oman en Jemen, en ook in Irak; in het voorjaar, eind april en mei, meer in Egypte, de Sinaï, Israël, Jordanië en Syrië en minder in Arabië. In Libië, Tunesië, Algerije en Marokko alleen een zeldzame doortrekker of dwaalgast. Daarbuiten broedt hij van Duitsland en Scandinavië door Oost-Europa, Turkije en de Kaukasus tot Centraal-Azië en Mongolië, en overwintert hij in Oost-Afrika, van Soedan tot Kenia en Tanzania.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Kansrijk in september in de kustparken en tuinen van Koeweit, de Emiraten en Oman, en in mei in Eilat en de Sinaï. Zoek in dichte acacia's en doornstruiken naar een grote, logge grasmus met lichte vleugelranden en luister naar de ratelende roep.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In delen van Europa achteruitgegaan door het verdwijnen van struweel en heggen in het landbouwgebied; in het gidsgebied zijn geen specifieke bedreigingen bekend, al treft de vogelvangst op de trek ook deze soort.
Wetenschappelijke naam
Curruca nisoria | (Bechstein, 1792) (GBIF: Sylvia nisoria)
Bechstein beschreef de soort in 1792 als Motacilla nisoria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. nisoria is middeleeuws Latijn voor de sperwer, die net zo gebandeerd is als deze grasmus. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit midden- en noordelijk Duitsland.


