Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Grauwe gans
Grauwe gans | Anser anser
Greylag Goose | Ánsar común
De grote, grijsbruine stamvader van de tamme gans, met een zware oranje of roze snavel. De grauwe gans is de meest verspreide wilde gans van het gebied: hij overwintert in de moerassen van Mesopotamië, rond de meren van Noord-Tunesië en Noordoost-Algerije en in kleiner aantal tot in Marokko, Egypte en de Levant.
Geluid
Het bekende luide, nasale gegak van de boerengans, aang-ang-ang, laag en schallend; troepen in vlucht roepen voortdurend.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot, zwaar en grofgebouwd, met een dikke kop en hals. Het verenkleed is egaal grijsbruin met lichte randen aan de bovendelen en enkele donkere vlekken op de buik bij oudere vogels. De snavel is groot en zonder zwart; bij de westelijke vorm (anser), die in Noord-Afrika overwintert, oranje, bij de oostelijke vorm (rubrirostris) van het Midden-Oosten roze, en die vorm is ook groter en bleker. De poten zijn vleeskleurig roze. In vlucht vallen de bleke, blauwgrijze voorvleugel en de lichte onderkant van de vleugel op, scherp afstekend tegen de donkere slagpennen.
Verwarringssoorten
De kolgans (Anser albifrons) is kleiner en donkerder, met een witte bles aan de snavelbasis, zwarte dwarsbanden op de buik en oranje poten. De toendrarietgans (Anser serrirostris) en taigarietgans (Anser fabalis) hebben een donkere kop en hals en een zwarte snavel met oranje band. Verwilderde boerenerfganzen zijn vaak zwaarder, met een hangende buik of witte vlekken.
Leefgebied
Grote moerassen met riet en open water, zoetwatermeren, overstroomde vlakten en rivierdelta's, en akkers met wintergraan, klaver of rijststoppel in de buurt. Slaapt op open water en vliegt in de schemering naar de foerageergebieden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast in Irak, vooral in de moerassen van Mesopotamië en langs Tigris en Eufraat, en in Syrië; schaars in Koeweit en het noordoosten van Saoedi-Arabië. In Israël kleine aantallen in het Hulagebied en de Jordaanvallei. In Noord-Afrika vooral rond het Ichkeulmeer in Tunesië en de meren bij El Kala en Fetzara in Noordoost-Algerije; in kleiner aantal in Marokko (onder meer Merja Zerga) en in de Nijldelta in Egypte, en zeldzaam in Libië. Verwilderde vogels leven plaatselijk in parken en op stuwmeren, onder meer in de Golfstaten. Broedt van IJsland en West-Europa tot Noord-China en overwintert van Noordwest-Europa en het Middellandse Zeegebied tot India en China.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ichkeul in Tunesië is van december tot februari de beste plek in Noord-Afrika; kijk vanaf de heuvel bij het bezoekerscentrum over het meer. In Israël loont het Hulagebied, in Irak de moerassen rond Chibayish. Let in het Midden-Oosten op de roze snavel van de oostelijke vorm.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. In het gebied overwinterend in aantallen die vroeger groter waren, door drooglegging van moerassen (zoals in Mesopotamië in de jaren 1990), jacht en verstoring. Sinds het gedeeltelijke herstel van de moerassen in Irak en de bescherming van Ichkeul zijn de vooruitzichten plaatselijk verbeterd.
Wetenschappelijke naam
Anser anser | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas Anser; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Anser is het Latijnse woord voor 'gans'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam: anser is Latijn voor 'gans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


