Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Kroeskoppelikaan
Kroeskoppelikaan | Pelecanus crispus
Dalmatian Pelican | Pelícano ceñudo
De grootste pelikaan en een van de zwaarste vliegende vogels ter wereld, zilvergrijs met een gekroesde kuif. Hij broedt van de Balkan tot Mongolië en bereikt het gidsgebied in de winter: regelmatig in kleine aantallen in de moerassen van Irak, en daarbuiten als zeldzame dwaalgast tot in Israël, de Golfstaten en Oman.
Geluid
Buiten de broedkolonie stil; in de kolonie een laag, hees blaffend en sissend gebrom.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
Enorm, met een zware bouw, een zilverig grijswit verenkleed en een kroezende, rommelige kuif op kop en nek. De keelzak is in de broedtijd oranjerood, daarbuiten geelachtig; het oog is bleek met een kleine kale, geelachtige huid eromheen, de poten zijn grijs. In vlucht is de ondervleugel vuilwit tot lichtgrijs, met alleen de handpennen en een smalle achterrand donker. Jonge vogels zijn grijzig wit met een bruingrijze bovenvleugel en een bleke keelzak.
Verwarringssoorten
De roze pelikaan (Pelecanus onocrotalus) is witter en roze getint, met roze tot oranje poten, een kaal gezicht rond het oog en een ondervleugel waarop de geheel zwarte hand- en armpennen scherp tegen de witte dekveren afsteken; jonge vogels van die soort hebben ook al zwarte armpennen van onderen. De kleine pelikaan (Pelecanus rufescens) is veel kleiner en grijzer met een donkere vlek voor het oog.
Leefgebied
Grote moerassen, meren, rivierdelta's, visvijvers en ondiepe kustlagunes. Vist meestal alleen of in kleine groepen, niet in grote gecoördineerde groepen zoals de roze pelikaan. Trekt minder ver dan de roze pelikaan en overwintert op de dichtstbijzijnde ijsvrije wateren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied vooral een schaarse wintergast in de moerassen van Irak; in het begin van de twintigste eeuw is ook een kuiken uit het gebied van de Shatt al-Arab bekend, wat op vroeger broeden wijst. In Egypte was hij in de negentiende eeuw een wintergast in de Nijldelta; tegenwoordig daar zeer zeldzaam. Elders een zeldzame dwaalgast, vooral november – april: in Israël een twintigtal gevallen, vooral in de jaren tachtig en in de Hula-vallei; in Koeweit een tiental gevallen, onder meer in de baai van Sulaibikhat, op Bubiyan en bij Al Jahra; in de Verenigde Arabische Emiraten enkele gevallen sinds 1970, onder meer bij Ras al Khor en de Kalba-dam (2021); in Oman enkele vogels bij Shinas en Al Ansab (2005 – 2006), in Dhofar (2021 – 2022) en bij Qurayyat (2024); verder enkele oude gevallen in Libanon en één in Bahrein (1999). In de Maghreb vrijwel onbekend. Daarbuiten broedt hij van Griekenland, Albanië en Montenegro via de Donaudelta, Turkije en de Kaspische Zee tot Mongolië, en overwintert hij in Griekenland, Turkije, Iran, Pakistan en India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in de winter in de moerassen van Zuid-Irak (Hammar, Hawizeh) of, als dwaalgast, in de Hula-vallei tussen de roze pelikanen; let daar op een grijzere vogel met een rommelige kuif en grijze poten. In de Golfstaten verblijven dwaalgasten soms weken tot maanden op dezelfde lagune of dam.
Staat van instandhouding
Gevoelig. Na een sterke achteruitgang in de twintigste eeuw door drooglegging, vervolging door vissers en aanvaringen met hoogspanningsleidingen is de soort dankzij bescherming van de kolonies in Griekenland en de Donaudelta toegenomen; in 2017 werd de status van Kwetsbaar naar Gevoelig verlaagd. Vogelgriep veroorzaakte in 2022 grote sterfte in de Griekse kolonies. In het gidsgebied hangt de soort af van de moerassen van Irak, die door verdroging en waterwinning onder druk staan.
Wetenschappelijke naam
Pelecanus crispus | Bruch, 1832
Bruch beschreef de soort in 1832 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pelecanus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Pelecanus is de Latijnse vorm van het Griekse pelekan 'pelikaan', dat zelf teruggaat op pelekys 'bijl'. crispus is Latijn voor 'gekruld', naar de krullende veren op achterhoofd en nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Dalmatië.

