Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Pijlstaart

Pijlstaart | Anas acuta

Northern Pintail | Ánade rabudo

Een slanke, langgerekte grondeleend met lange hals en spitse staart, die het gidsgebied in grote aantallen aandoet op weg naar en van de Sahel. In de lagunes van de Nijldelta en de Tunesische en Marokkaanse wetlands overwinteren duizenden; tegelijk trekt een groot deel recht over de Sahara naar de overstromingsvlakten van West-Afrika.

Pijlstaart (Anas acuta)
Foto: USFWSAlaska — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje fluit zacht en helder, een kort prruut, dat lijkt op de roep van de wintertaling maar voller en lager klinkt. Het vrouwtje kwaakt laag en hees, kwèk-kwèk, zachter dan een wilde eend. In de winterkwartieren meestal stil, behalve in baltsende groepjes vanaf januari.

Luister: VluchtroepXC1167242

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Lange dunne hals, kleine kop en spits toelopend achterlijf. Het mannetje heeft een chocoladebruine kop met een witte streep die langs de halszijde omhoogloopt, een witte borst, een fijn grijs gevermiculeerd lichaam, een crèmegele vlek voor de zwarte onderstaart en twee lange, smalle middelste staartpennen. Het vrouwtje is egaal koffiebruin geschubd met een ongetekend gezicht en een geheel grijze snavel; de man in eclips lijkt op haar maar blijft grijzer. In vlucht: lange spitse vleugels, een bronsgroene spiegel met een witte achterrand en de ver uitstekende hals.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje wordt verward met het vrouwtje van de wilde eend (Anas platyrhynchos) en de krakeend (Mareca strepera); beide zijn compacter en korter van hals en hebben oranje in de snavel. De marmereend (Marmaronetta angustirostris) is kleiner, bleek zandkleurig met lichte vlekken en een donkere oogvlek, zonder spiegel. Het vrouwtje smient (Mareca penelope) heeft een ronde kop en een korte blauwgrijze snavel.

Leefgebied

Brakke en zoete lagunes, ondiepe kustmeren, overstroomde zoutvlakten en chotts, rijstvelden en visvijvers. Zoekt voedsel door met de lange hals onder water te grondelen, tot dieper dan andere grondeleenden, vaak 's nachts op ondergelopen akkers; overdag rust hij in groepen op open water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Wintergast in het hele noorden van het gidsgebied. Egypte: grote aantallen op de deltameren Manzala, Burullus en Idku en langs de Nijl. Tunesië: Ichkeul, Kelbia en de sebkha's van het binnenland; Algerije: de wetlands van El Kala en Guerbes en de chotts; Marokko: Merja Zerga, Sidi Bou Ghaba, de monding van de Moulouya en Souss-Massa. Libië: in kleine aantallen op kustlagunes. In het oosten op de moerassen van Zuid-Irak, het Hulameer en de visvijvers van de Jordaanvallei; schaars in Koeweit, de Golfstaten, Oman en Saoedi-Arabië, en zeldzaam in Jemen. Op trek over de hele Sahara en langs de Rode Zee, met rustende groepjes bij oases en stuwmeren. Broedt ver noordelijk, van IJsland en Noordwest-Europa tot Oost-Siberië en Noord-Amerika; overwintert verder in de Sahel, van de Senegaldelta tot het Tsjaadmeer, en in Zuid-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De grootste aantallen zie je in december en januari op de deltameren van Egypte en op Ichkeul in Tunesië, bij voorkeur bij laag licht vanaf een dijk of uitzichtpunt. In februari en maart trekken groepjes door de Jordaanvallei en langs Eilat. Zoek op trek in de woestijn de stuwmeren en waterzuiveringen af: daar landen groepjes die de Sahara oversteken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar de Europese en West-Afrikaanse populatie is sinds de jaren zeventig flink afgenomen, onder meer door droogte in de Sahel en het verlies van overstromingsvlakten. In het gidsgebied wordt hij op veel wetlands intensief bejaagd en gevangen, vooral in de Nijldelta, en lijden de lagunes onder drooglegging en vervuiling.

Wetenschappelijke naam

Anas acuta | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas voerde hij in datzelfde werk in. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. acuta is Latijn voor 'spits', van acuere 'scherpen', naar de lange puntige staartveren van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.