Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Roodpootvalk

Roodpootvalk | Falco vespertinus

Red-Footed Falcon | Cernícalo patirrojo

De roodpootvalk is een kleine, sociale valk van de Oost-Europese en Centraal-Aziatische steppen die in zuidelijk Afrika overwintert. In het gebied is hij een doortrekker: in het voorjaar trekken groepen over de Sahara naar de Middellandse Zee, en dan rusten ze op draden en in boomgaarden van Tunesië, Libië, Egypte en de Levant.

Roodpootvalk (Falco vespertinus)
Foto: Andy Morffew from Itchen Abbas, Hampshire, UK — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de trek meestal stil. Op slaapplaatsen en bij de kolonie een hoog, snel kiekiekie, hoger en minder schel dan bij de torenvalk.

Luister: ZangXC1154130

Opname: Arjun Dutta — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–31 cm, spanwijdte 65–76 cm. Een slanke valk met vrij lange, spitse vleugels en een middellange staart. Het mannetje is egaal donker leigrijs met zilvergrijze handpennen, een roestrode broek en onderstaartdekveren, en oranjerode poten, washuid en oogring. Het vrouwtje heeft een oranjebruine kruin en ongestreepte, oranje-okerkleurige onderdelen, een witte keel en wangen met een klein zwart masker rond het oog, en blauwgrijze, zwart gebandeerde bovendelen. De jonge vogel is bruiner, met een lichte kop, een donker masker en gestreepte onderdelen. Bidt vaak, maar ook als een boomvalk jagend op insecten in de lucht, en rust in groepjes op draden.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de amoerroodpootvalk (Falco amurensis) heeft witte ondervleugeldekveren in plaats van een geheel donkere ondervleugel; het vrouwtje heeft een grijze kruin en witte, zwart gevlekte onderdelen. De woestijnvalk (Falco concolor) is ook leigrijs, maar groter en langer van vleugel, zonder roestrode broek en met gele poten. Een jonge roodpootvalk lijkt op een jonge boomvalk (Falco subbuteo), maar die heeft een donkerdere rug, een langere baardstreep en geen lichte kruin. De kleine torenvalk (Falco naumanni) heeft een roodbruine rug en een gebandeerde ondervleugel.

Leefgebied

Op de trek open landschap met zitposten: akkers, irrigatielandbouw, boomgaarden en oases, steppe en kustvlakten, vaak bij telefoondraden en bomenrijen. Jaagt op grote insecten, vooral kevers, libellen en sprinkhanen, en slaapt in groepen in bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker, vooral in het voorjaar wanneer veel vogels over de centrale en oostelijke Sahara naar het noorden trekken: dan regelmatig in Tunesië (bijvoorbeeld Cap Bon), Libië, Egypte (Nijlvallei en Sinaï) en Israël, soms in groepen van tientallen. Schaars in Algerije en Marokko, en in de Levant, Irak en Arabië in kleine aantallen, in het oosten van Arabië vooral als dwaalgast. In de herfst trekken de meeste vogels in een rechtere lijn naar het zuiden en is hij in het gebied veel schaarser. Broedt van Oost-Europa (Hongarije, Roemenië, Oekraïne) door de steppen tot Centraal-Azië en overwintert in zuidwestelijk Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Let in april en mei op Cap Bon in Tunesië, in de oases en de Nijlvallei en in de kibboetsvelden rond Eilat en het noorden van Israël op groepjes kleine valken op draden. Een egaal leigrijs mannetje met rode poten is onmiskenbaar; kijk bij een vrouwtje naar de oranje kruin en de ongestreepte onderdelen.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De wereldstand van 300.000–400.000 volwassen vogels is in de afgelopen decennia sterk afgenomen door intensivering van de landbouw, het verlies van steppe en grasland en het verdwijnen van roekenkolonies waarvan de nesten worden overgenomen. Op de overwinteringsplaatsen spelen kap van slaapbomen en jacht, op de trek ook insecticiden.

Wetenschappelijke naam

Falco vespertinus | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is Laatlatijn voor 'valk', van falx, falcis 'sikkel', naar de sikkelvormige klauwen van de vogel. vespertinus is Latijn voor 'van de avond', van vesper 'avond'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van Sint-Petersburg.