Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Rotsduif
Rotsduif | Columba livia
Rock Pigeon | Paloma bravía
De wilde stamvorm van de stadsduif, die in het gidsgebied nog op veel plaatsen in oorspronkelijke vorm leeft: in de kloven van de Atlas, op de rotsen van Sinaï en Arabië, in de bergen van de Sahara en in woestijnputten. Daarnaast is de verwilderde en tamme duif overal aanwezig, van de duiventorens in de Nijldelta tot de minaretten van elke stad.
Geluid
Een rollend, klagend koeren dat door de rotswand galmt, oe-roeh-koe, met de klemtoon op de tweede lettergreep. Klinkt het hele jaar, het meest in het voorjaar. Bij het opvliegen klappen de vleugels hard tegen elkaar.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Blauwgrijze duif met twee scherpe zwarte vleugelstrepen, een groenpaars glanzende halszijde, een donkere staarteindband en een witte ondervleugel die sterk afsteekt tegen de donkere handpennen. Bij de meeste wilde vogels licht de stuit wit op; in het oosten en zuiden van het gidsgebied hebben veel wilde vogels echter een grijze stuit. Woestijnvormen in de Sahara en de Egyptische oases zijn opvallend bleek. Verwilderde stadsduiven variëren van zwart en roodbruin tot bont en wit.
Verwarringssoorten
De holenduif (Columba oenas) heeft een grijze stuit, donkere ogen, alleen korte, onderbroken vleugelstreepjes en een donkere achterrand aan de vleugel, zonder witte ondervleugel. De houtduif (Columba palumbus) is groter, met een witte halsvlek en een brede witte band over de vleugel. De olijfduif (Columba arquatrix) in het Arabische hoogland is donker wijnrood met witte stippen en een gele snavel.
Leefgebied
Steile rotswanden, kloven en canyons, zeekliffen en eilandjes, en in de woestijn ook putten, schachten en ruïnes waarin hij broedt; foerageert op akkers, braakland en in wadi's. Wilde vogels drinken dagelijks en vliegen daarvoor soms tientallen kilometers naar een bron, put of oase. Verwilderde vogels in steden, dorpen, havens en op graanopslagplaatsen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het hele gidsgebied, wild of verwilderd. Wilde populaties in de rotsachtige delen van Marokko, Algerije, Tunesië en Libië, in de bergmassieven van de centrale Sahara, zoals de Hoggar, in de Egyptische oases en in de woestijnbergen langs de Nijl en de Rode Zee, in Sinaï, de Negev en Jordanië, in de bergen van Syrië en Irak en op het hele Arabisch Schiereiland, van de Hejaz en Asir tot de Hajar in Oman en de kliffen van Musandam. In de Nijlvallei en -delta worden vogels massaal in lemen duiventorens gehouden en zijn wilde en tamme vogels nauwelijks meer te scheiden. Daarbuiten oorspronkelijk van Zuid-Europa en de Atlantische kusten tot Centraal-Azië en India; als verwilderde duif wereldwijd.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Voor wilde vogels: zoek kloven ver van dorpen, zoals de Todragorge in Marokko of de wadi's van Sinaï en Petra, en let op duiven die in de ochtend in groepjes laag naar een waterput vliegen. Een rondrit door de Nijldelta laat de karakteristieke duiventorens zien, waar 's avonds honderden vogels binnenvallen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en zeer algemeen. De zuiver wilde vorm wordt in het hele gebied bedreigd door vermenging met tamme en verwilderde duiven, die zich ook diep in de woestijn en de bergen hebben gevestigd. Er wordt veel op gejaagd en duiven worden traditioneel gehouden voor vlees en mest.
Wetenschappelijke naam
Columba livia | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Columba werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Columba is Latijn voor 'duif' en gaat terug op het Griekse kolumbos 'duiker', bij kolumbaō 'duiken, zwemmen'; de klassieke schrijvers noemden de rotsduif zo naar de zwemmende slag van de vleugels in de vlucht. livia is een middeleeuws-Latijnse nevenvorm van livida 'loodgrijs, blauwgrijs', de vertaling die Theodorus Gaza gaf van het Griekse peleia 'duif', zelf van pellos 'donker'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.


