Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Savannearend

Savannearend | Aquila rapax

Tawny Eagle | Águila rapaz

De savannearend is een middelgrote, gedrongen bruine arend van droog open land met verspreide bomen, sterk wisselend van bleek roomkleurig tot donker roodbruin. In het gebied leeft een kleine stand in de hooglanden en uitlopers van Zuidwest-Arabië; de Noord-Afrikaanse vorm belisarius broedde vroeger in Marokko, maar is daar al ruim dertig jaar niet meer met zekerheid gezien.

Savannearend (Aquila rapax)
Foto: Tisha Mukherjee — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. Bij de balts en bij het nest een blaffend kau-kau-kau en een rauw, kraaiachtig kjaa.

Luister: RoepXC1044220

Opname: Oliver Fowler — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

62–72 cm, spanwijdte 160–185 cm. Het verenkleed varieert van bleek zandkleurig of roomgeel tot warm roodbruin en donkerbruin, vaak wat vlekkerig; de slagpennen zijn donkerder. De snavelhoek reikt tot ongeveer onder het midden van het oog, het neusgat is ovaal en de iris van de volwassen vogel is lichtgeel. De poten zijn tot de tenen bevederd. In vlucht vrij lange, brede vleugels met zeven vingers, gedragen vlak of met de hand iets gezakt; bij lichte vogels contrasteren de donkere slagpennen en staart met de lichte ondervleugeldekveren, en de binnenste handpennen vormen een licht venster. De staart is middellang en afgerond. De jonge vogel is gelijkmatig licht roestbruin tot zandkleurig, met hooguit een smalle lichte vleugelstreep en een lichte achterrand.

Verwarrings­soorten

De steppearend (Aquila nipalensis) is groter en langer gevleugeld, met een snavelhoek die tot achter het oog doorloopt, een donkere iris en bij jonge vogels een brede witte band over de ondervleugel. De schreeuwarend (Clanga pomarina) en de bastaardarend (Clanga clanga) hebben een rond neusgat en kortere, minder bevederde trekken. Een lichte arendbuizerd (Buteo rufinus) is kleiner, met een lichte, ongebandeerde staart en zwarte polsvlekken. In Marokko kunnen jonge Spaanse keizerarenden (Aquila adalberti) voor deze soort worden aangezien; die zijn groter, met lichte vleugelstrepen en een lichte stuit.

Leefgebied

Droog open land met verspreide bomen: acaciasavanne, doornstruweel, brede wadi's en hoogvlakten met terrasbouw, tot ongeveer 2500 m. Ook bij dorpen, slachtplaatsen en vuilnisbelten, waar hij aas en afval zoekt en andere roofvogels hun prooi afhandig maakt. Het nest is een platte takkenhorst boven in een acacia of andere boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Arabië een schaarse standvogel in de hooglanden, escarpementen en uitlopers van Jemen en Zuidwest-Saoedi-Arabië (Asir, zuidelijke Hejaz en de rand van de Tihama); in Dhofar (Oman) zeldzaam. In Marokko broedde de soort vroeger in een groot deel van het land buiten de woestijn; de laatste bekende nesten werden in 1992 in arganbomen in de Souss, de westelijke Hoge Atlas en de Anti-Atlas gevonden, en ondanks gericht zoeken zijn er sindsdien geen betrouwbare waarnemingen meer. Uit Algerije geen recente gegevens. Daarbuiten in de Sahel en grote delen van Oost- en Zuidelijk Afrika en op het Indiase subcontinent.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in Zuidwest-Saoedi-Arabië en Jemen langs de escarpementen en bij vuilnisbelten en slachtplaatsen aan de rand van de dorpen, waar arenden op palen en boomtoppen zitten. Let bij elke bruine arend op de snavelhoek: eindigend onder het oog wijst op savannearend, doorlopend tot achter het oog op steppearend.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar. De soort is in grote delen van Afrika sterk achteruitgegaan door vergiftiging, elektrocutie, vervolging en verlies van leefgebied. De Noord-Afrikaanse stand is door stroperij, jacht en vergif vrijwel zeker verdwenen; de kleine Arabische stand is weinig onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Aquila rapax | (Temminck, 1828)

Temminck beschreef de soort in 1828 als Falco rapax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aquila werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Aquila is Latijn voor 'arend', mogelijk van aquilus 'donker van kleur'. rapax is Latijn voor 'grijpgraag, roofzuchtig' — naar de gewoonte ook prooi van andere roofvogels af te pakken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.