Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Steppearend
Steppearend | Aquila nipalensis
Steppe Eagle | Águila esteparia
De steppearend is een grote, donkere arend uit de steppen van Centraal-Azië, die het Midden-Oosten in groten getale passeert op weg naar en van Oost- en Zuidelijk Afrika. Een groot deel van de wereldpopulatie overwintert inmiddels op het Arabisch Schiereiland, waar tot duizenden vogels zich verzamelen bij vuilstortplaatsen.
Geluid
Meestal stil. Soms een schor, kraaiachtig blaffen, kjak, vooral bij ruzies op stortplaatsen.
Opname: Bo Shunqi 薄顺奇 — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
62–81 cm, spanwijdte 165–214 cm. Een zware arend met lange, brede, parallelle vleugels met lange vingers, een vrij lange, afgeronde staart en een kleine kop. De volwassen vogel is egaal donkerbruin, met in vlucht fijn gebandeerde grijzige slagpennen met een donkere achterrand, vaak een roestbruine nekvlek en een lichte keelvlek. Kenmerkend is de lange gele mondhoek, die tot achter het oog doorloopt. De jonge vogel is lichter, koel grijsbruin, met een brede witte band over de ondervleugel langs de grote dekveren, een witte achterrand aan vleugel en staart en een witte U op de stuit; onvolwassen vogels hebben resten van deze banden.
Verwarringssoorten
De savannearend (Aquila rapax) is kleiner en meestal warmer geelbruin, met een mondhoek die tot het midden van het oog reikt en zonder witte band onder de vleugel. De bastaardarend (Clanga clanga) en de schreeuwarend (Clanga pomarina) zijn kleiner en compacter, met kortere vleugels en een rond neusgat. Jonge keizerarenden (Aquila heliaca) zijn licht en gestreept, met een lichte armpennenwig; de steenarend (Aquila chrysaetos) heeft een langere staart en bij jonge vogels witte vleugelvlekken en een witte staartbasis.
Leefgebied
In de winter open woestijn, halfwoestijn en doornstruweel, landbouwgebieden en vooral vuilstortplaatsen en dierlijke afvalplaatsen, waar hij in groepen op de grond zit. Op de trek over bergruggen en woestijnvlakten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het voorjaar trekken bij Eilat, vooral van februari tot april, duizenden tot tienduizenden vogels door; in het najaar kiest het merendeel de route via Bab el-Mandeb in Jemen of over de Sinaï en de Golf van Suez. Op het Arabisch Schiereiland een talrijke wintergast: bij twee stortplaatsen bij Shaqra, ten noorden van Riyad, werden tot 6700 vogels geteld, ruim 7 % van de wereldpopulatie. Ook in Oman (vooral Dhofar), de Emiraten, Jemen, Koeweit en Irak een vaste wintergast. In Egypte en Jordanië doortrekker, in de Maghreb een zeldzame dwaalgast. Broedt in de steppen van Zuid-Rusland en Kazachstan tot Mongolië en China; overwintert in Oost- en Zuidelijk Afrika, Arabië en Zuid-Azië.
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in de winter naar een stortplaats in Dhofar, zoals bij Salalah, of in het binnenland van Saoedi-Arabië; daar zitten tientallen tot honderden steppearenden op de grond, vaak samen met bastaardarenden. In maart zijn de bergen ten noorden van Eilat de klassieke plek voor de trek.
Staat van instandhouding
Bedreigd. Sinds eind jaren negentig zeer sterk afgenomen, vooral door elektrocutie aan stroommasten in de broedgebieden en op de trek, vergiftiging, verlies van steppe en de afname van grondeekhoorns. In Arabië maakt de afhankelijkheid van stortplaatsen de vogels kwetsbaar voor hoogspanningslijnen en vergif dat tegen zwerfhonden en wolven wordt uitgelegd.
Wetenschappelijke naam
Aquila nipalensis | Hodgson, 1833
Hodgson beschreef de soort in 1833 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Aquila werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Aquila is Latijn voor 'arend', mogelijk van aquilus 'donker van kleur'. nipalensis betekent 'uit Nepal', waar het typeexemplaar werd verzameld, vermoedelijk van een doortrekkende vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nepal.


