Alle soorten › Steltloperachtigen › Scholeksters › Scholekster

Scholekster | Haematopus ostralegus

Eurasian Oystercatcher | Ostrero euroasiático

Een forse zwart-witte kustvogel met een felle oranjerode snavel, die in het gidsgebied niet broedt maar als wintergast langs vrijwel alle kusten voorkomt. Aan de Middellandse Zee en de Marokkaanse Atlantische kust gaat het om Europese vogels; aan de Rode Zee, de Arabische Zee en de Golf om de oostelijke ondersoort longipes uit Rusland en Centraal-Azië.

Scholekster (Haematopus ostralegus)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, doordringend kliep of kubiek, vooral in vlucht; in groepen soms een snel, opgewonden getriller. In de winterkwartieren rustiger dan in het broedgebied.

Luister: ZangXC1167665

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Gedrongen en krachtig, met zwarte kop, borst en bovendelen en witte onderdelen. De lange, rechte snavel is fel oranjerood, het oog rood met een oranje oogring, de vrij korte, stevige poten zijn roze. In winterkleed hebben de meeste vogels een witte halsband. Onvolwassen vogels zijn bruiniger zwart, met een donkere snavelpunt en grauwere poten. In vlucht: een brede witte vleugelstreep en een witte stuit die als een wig de rug op loopt. De oostelijke longipes is iets langer van poot en bruiniger van rug.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied nauwelijks te verwarren. De krabplevier (Dromas ardeola) is ook zwart-wit en leeft op dezelfde Arabische kusten, maar heeft een witte kop en een zware zwarte snavel. De kluut (Recurvirostra avosetta) is slanker, met een dunne opgewipte zwarte snavel en blauwgrijze poten. Op grote afstand kunnen groepjes op een strand op zwart-witte meeuwen lijken, tot de oranje snavels zichtbaar worden.

Leefgebied

Rotskusten, getijdenvlakten, zandstranden met schelpenbanken, kustlagunes en monden van wadi's; in Arabië ook op mangrovekusten en koraalplateaus bij laag water. Foerageert op schelpdieren, krabben en wormen, die hij met de snavel openwrikt of uit de grond trekt. Zelden landinwaarts, behalve als doortrekker langs grote rivieren en meren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Wintergast langs de Atlantische kust van Marokko, vooral van Tanger tot de lagunes van Khnifiss en Dakhla, en schaarser langs de Middellandse Zeekust van Algerije, Tunesië (golf van Gabès), Libië en Egypte. Op de Arabische kusten van de Rode Zee en de Golf van Aden, inclusief Socotra, en vooral aan de kust van Oman (Barr al Hikman en Masirah) en in de Emiraten, Qatar, Bahrein en Koeweit overwintert de ondersoort longipes, op sommige plaatsen in honderden tot duizenden. Op trek ook landinwaarts in Irak, Syrië en Israël. Daarbuiten broedt hij van IJsland en West-Europa tot West-Siberië en Centraal-Azië, en apart in Kamtsjatka en Noordoost-China; overwintert tot West-Afrika, Oost-Afrika en India.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Barr al Hikman en het eiland Masirah in Oman zijn de beste plekken in het gidsgebied: daar staan in de winter grote groepen op de wadden, samen met krabplevieren. In Marokko zie je ze goed bij Oualidia, Sidi Moussa en in de lagune van Dakhla. Kijk bij opkomend tij, als de vogels zich op de hoogwatervluchtplaatsen verzamelen.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort staat sinds 2015 wereldwijd op de lijst als Gevoelig (IUCN: Near Threatened) vanwege een sterke afname in Europa, onder meer door overbevissing van schelpdieren, landbouwintensivering en verlies van broedgebied. In het gidsgebied bedreigen kustontwikkeling, landaanwinning in de Golf en verstoring de overwinteringsgebieden.

Wetenschappelijke naam

Haematopus ostralegus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Haematopus voerde hij in datzelfde werk in. Haematopus is Grieks, van haima 'bloed' en pous 'voet', naar de rode poten. ostralegus is Latijn, van ostrea 'oester' en legere 'oprapen, verzamelen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Öland in Zweden.