Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Zilverplevier
Zilverplevier | Pluvialis squatarola
Black-Bellied Plover | Chorlito gris
Een forse, gedrongen plevier van wadden en getijdenvlakten, die langs vrijwel alle kusten van het gidsgebied overwintert. In zomerkleed is hij opvallend zwart-wit-zilver, maar hier zie je de meeste vogels in het grijze winterkleed, verspreid en vaak alleen foeragerend op het slik.
Geluid
Een karakteristiek, weemoedig drielettergrepig fluitje, tlie-oe-ie, met een dip in het midden; vaak te horen van opvliegende vogels en van 's nachts overtrekkende groepjes.
Opname: MERCIER Christophe — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Grote plevier met een zware, ronde kop, grote zwarte ogen en een korte, dikke zwarte snavel. Winterkleed: bovendelen grijsbruin met fijne witte spikkels, onderdelen vuilwit met een grijzig gestreepte borst; op afstand oogt hij egaal grijs. Zomerkleed (vanaf april, bij doortrekkers in mei en augustus): gezicht, keel, borst en buik zwart, gescheiden van de zilvergrijs en zwart geblokte bovendelen door een brede witte band van voorhoofd tot borstzijde; de onderstaart blijft wit. Jonge vogels zijn geelbruiner gespikkeld. In vlucht het beste kenmerk: zwarte okselveren onder de verder witte vleugel, een witte stuit en een duidelijke witte vleugelstreep.
Verwarringssoorten
De goudplevier (Pluvialis apricaria) is kleiner, slanker en warm geelbruin gespikkeld, met witte okselveren, een vage vleugelstreep en geen witte stuit. De Aziatische goudplevier (Pluvialis fulva) is kleiner, langbeniger en goudgeler, met grijze okselveren; hij overwintert samen met de zilverplevier op de Arabische kusten. De Amerikaanse goudplevier (Pluvialis dominica) is een zeldzame dwaalgast, eveneens met grijze okselveren. De kanoet (Calidris canutus) is even grijs, maar heeft een langere, dunnere snavel en kortere poten en foerageert in dichte groepen.
Leefgebied
Getijdenvlakten, slikplaten, zandstranden, kustlagunes en zoutpannen; in Arabië ook langs mangrovekusten en op koraalplateaus die bij eb droogvallen. Foerageert verspreid en vaak territoriaal in de bekende plevierstijl: stilstaan, een paar passen rennen, pikken. Bij hoogwater rust hij met andere steltlopers op hoogwatervluchtplaatsen. Landinwaarts schaars, behalve op trek langs grote meren, de Nijl en stuwmeren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast langs de kusten van het hele gidsgebied. Marokko: de Atlantische kust van Merja Zerga via Oualidia en Sidi Moussa tot de lagunes van Khnifiss en Dakhla in de West-Sahara, plaatselijk in honderden. Langs de Middellandse Zee in kleinere aantallen in Algerije, Tunesië (golf van Gabès en de zoutpannen van Sfax), Libië en Egypte (deltameren en Bardawil). Verspreid langs de Rode Zee aan Afrikaanse en Arabische zijde, de Golf van Aden en Socotra; talrijk langs de Perzische Golf van Koeweit via Bahrein en Qatar tot de Emiraten, en vooral in Oman op Barr al Hikman en Masirah. Op trek ook landinwaarts in Irak, Israël en Jordanië. Broedt op de arctische toendra van Rusland, Alaska en Canada; overwintert verder langs de kusten van West-Europa, Afrika, Zuid-Azië, Australië en Amerika.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek hem bij opkomend tij op Barr al Hikman, bij Khor Kalba en Abu Dhabi, of in Marokko bij Oualidia en Khnifiss. Let bij het opvliegen op de zwarte 'oksels': het snelste kenmerk tegen de goudplevieren. In april en mei trekken vogels in volledig zomerkleed langs de kusten van de Golf en de Rode Zee.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar. De soort staat sinds 2024 wereldwijd op de lijst als Kwetsbaar (IUCN: Vulnerable) vanwege een sterke afname langs meerdere trekroutes, onder meer door het verlies van getijdengebied in Oost-Azië en veranderingen in het arctische broedgebied. In het gidsgebied bedreigen landaanwinning en kustbebouwing in de Golf, vervuiling en verstoring de wadden waar hij overwintert.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis squatarola | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa Squatarola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Pluvialis is Latijn voor 'van de regen', van pluvia 'regen', naar het oude geloof dat deze plevieren samendromden wanneer er regen op komst was. squatarola is een gelatiniseerde vorm van sgatarola, een Venetiaanse naam voor een soort plevier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


