Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Slobeend
Slobeend | Spatula clypeata
Northern Shoveler | Cuchara común
De eend met de lepelsnavel is in de winter een van de talrijkste eenden van het gebied. Op de meren van de Nijldelta, in de Tunesische en Marokkaanse lagunes, in de moerassen van Zuid-Irak en op waterzuiveringsplassen in de Golfstaten zeven groepen slobeenden met de brede snavel door het water, vaak in kringetjes draaiend.
Geluid
Vrij stil. Het mannetje geeft een hol, dubbel took-took en bij het opvliegen een droog vleugelgeratel; het vrouwtje een hees, dalend kwaken, kwak-kwak-kwak.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Middelgroot, met een lange, aan het eind sterk verbrede snavel die het silhouet bepaalt; zit laag op het water met de snavel naar beneden. Het mannetje heeft een glanzend donkergroene kop, een geel oog, een witte borst en kastanjebruine flanken. Het vrouwtje is gevlekt bruin, met een oranje snavelrand. In vlucht tonen beide seksen een lichtblauwe voorvleugel met een witte baan en een groene spiegel; de vleugels staan ver naar achteren door de zware voorkant. Mannetjes in overgangskleed hebben in de herfst en winter vaak een lichte halvemaan op het gezicht.
Verwarringssoorten
Door de snavel nauwelijks te verwarren. Vrouwtjes van de wilde eend (Anas platyrhynchos) hebben een kleinere, gewone snavel en een blauwe spiegel; die van de krakeend (Mareca strepera) een smalle snavel en een witte spiegel. In vlucht delen de zomertaling (Spatula querquedula) en de blauwvleugeltaling (Spatula discors) de blauwe voorvleugel, maar zij zijn veel kleiner en kleinsnaveliger.
Leefgebied
Ondiep, voedselrijk water met zachte bodem: kustlagunes, brakke meren en chotts met zoet water, de Nijldeltameren, rijstvelden, visvijvers, stuwmeren en waterzuiverings- en afvalwaterplassen, die in Arabië de belangrijkste rustplaatsen zijn. Zeeft met de snavel door het oppervlaktewater naar plankton, kleine kreeftjes, insectenlarven en zaden; groepen draaien daarbij vaak samen rond om voedsel naar boven te halen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Wintergast in het hele gebied, met grote aantallen in Egypte (Manzala, Burullus, Idku), Tunesië (Ichkeul en de lagunes), Algerije, Marokko (Merja Zerga, de Moulouya-monding), Israël, Irak en langs de Golfkust; gewoon in de Emiraten, Bahrein, Qatar en Koeweit, schaarser in Oman, Jemen en het binnenland van Saoedi-Arabië. Ook doortrekker langs de Rode Zee en door de Sahara-oases. Broedt in kleine aantallen in Marokko, Algerije en Tunesië en uitzonderlijk elders. Daarbuiten broedt hij in Europa, Azië en Noord-Amerika en overwintert hij tot in Oost-Afrika, Zuid-Azië en Midden-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In december en januari zijn de Egyptische deltameren, Ichkeul in Tunesië en de waterzuiveringsplassen van Al Wathba en Abu Dhabi of Jahra Pool in Koeweit goede plaatsen. Kijk naar de groepjes die in kringen draaien: dat zijn bijna altijd slobeenden. Tussen de slobeenden zitten vaak marmereenden en witkopeenden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De aantallen in het gebied wisselen van jaar tot jaar met de waterstand. Jacht op de Nijldeltameren en in Irak en de drooglegging van moerassen zijn de belangrijkste bedreigingen; de groei van afvalwaterplassen in de Golfstaten heeft de soort daar juist meer rustplaatsen gegeven.
Wetenschappelijke naam
Spatula clypeata | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas clypeata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spatula werd in 1822 ingevoerd door Boie. Spatula is Latijn voor 'lepel' of 'spatel', naar de brede, lepelvormige snavel van de slobeend. clypeata is Latijn voor 'schilddragend', van clypeus 'schild'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Zweden.


