Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Westelijke gestreepte prinia

Westelijke gestreepte prinia | Prinia gracilis

Graceful Prinia | Prinia grácil

De westelijke gestreepte prinia is een piepklein, langstaartig zangvogeltje dat in de Nijlvallei, de Levant en West- en Zuid-Arabië een van de gewoonste vogels van tuinen, akkerranden en rietkragen is. Hij is luidruchtig en beweeglijk en wipt voortdurend met zijn lange, getrapte staart.

Westelijke gestreepte prinia (Prinia gracilis)
Foto: Becky Matsubara from Contra Costa County, California — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een ritmisch, droog, herhaald tsirrup-tsirrup-tsirrup of zerwit-zerwit, met ongeveer drie frasen per seconde, vaak vanaf een uitstekende takje. De roep is een scherp, knappend tsjit en een snorrend trrrt; bij elke vleugelslag is soms een licht knappen te horen.

Luister: ZangXC1150549

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm. Bleek grijsbruin boven met fijne donkere strepen op kruin, mantel en vleugeldekveren; onderdelen vuilwit met een zachtbeige zweem op de flanken. De lange, sterk getrapte staart wordt vaak schuin opgestoken of gewipt; van onderen toont hij donkere, ronde vlekken vóór witte toppen. Kop vrij effen met een lichte teugel en een oranjegeel oog. Vleugels kort en rond; de vlucht is zwak en schokkerig, laag over de vegetatie. Seksen gelijk.

Verwarrings­soorten

De oostelijke gestreepte prinia (Prinia lepida), in Irak en het oosten van Arabië, is vrijwel identiek: hij heeft van onderen smallere, vagere bandjes in de staart in plaats van ronde donkere vlekken, vaak duidelijker gebandeerde staartbovenkant en een snellere zang. De graszanger (Cisticola juncidis) is sterker gestreept, heeft een veel kortere staart en een roestige stuit. De maquiszanger (Scotocerca inquieta) heeft een donkere oogstreep, een lichte wenkbrauwstreep en leeft in droog, rotsig terrein.

Leefgebied

Dichte, lage vegetatie in vochtige én droge streken: rietkragen en tamarisk langs kanalen en meren, akkerranden, boomgaarden, dadelpalmtuinen, struiken in tuinen en parken tot midden in steden, en in Arabië ook kuststruweel en mangrove. Eet kleine insecten en spinnen. Het nest is een fijn, ovaal bolletje met zij-ingang, laag in een struik of graspol.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Talrijk in Egypte in de Nijlvallei en -delta, langs het Suezkanaal en aan de noordkust van de Sinaï; in Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië (Jordaanvallei, Dode Zee, Akaba), Libanon en West-Syrië. In Saoedi-Arabië langs de Rode Zee en in de Tihama, en in het oosten (de oase van Al-Ahsa en de kust bij Al-Uqair) met een eigen ondersoort, die ook op Bahrein en mogelijk in Qatar leeft; verder in Jemen in de Tihama en langs de zuidkust. Daarbuiten in Soedan langs de Nijl, Eritrea en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In elke tuin, kibboets of akkerrand in Israël en langs de Nijl is hij met zijn droge, ritmische zang snel gevonden. In Oost-Saoedi-Arabië en Qatar, waar ook de oostelijke gestreepte prinia leeft, alleen zingende vogels op naam brengen en de staartonderkant fotograferen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Profiteert van irrigatie, tuinen en aanplant en heeft zich in de 20e eeuw met de landbouw uitgebreid. De grens met de oostelijke gestreepte prinia in Oost-Arabië is nog onvoldoende bekend.

Wetenschappelijke naam

Prinia gracilis | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als S[ylvia] gracilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prinia werd in 1821 ingevoerd door Horsfield. Prinia komt van prinya, de Javaanse naam voor Prinia familiaris, de prinia van dat eiland. gracilis is Latijn voor 'slank, tenger', naar de fijne bouw en de lange dunne staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië.