Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Witkopeend

Witkopeend | Oxyura leucocephala

White-Headed Duck | Malvasía cabeciblanca

Een gedrongen stekelstaarteend met een zware, aan de basis opgezwollen blauwe snavel en een stijve staart die vaak schuin omhoog staat. Het mannetje heeft een witte kop met een zwart petje. De meren van Noord-Algerije, Tunesië en Marokko zijn samen met Spanje de laatste bolwerken van het westelijke bestand.

Witkopeend (Oxyura leucocephala)
Foto: aissadjamelfilali — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de balts vrijwel zwijgzaam. Baltsende mannetjes tikken met de snavel tegen de opgezette hals en geven een laag, rollend prrrt dat nauwelijks draagt; vrouwtjes laten bij verstoring een korte, hese kèk horen.

Luister: ZangXC462959

Opname: Geoffrey Monchaux — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

43–48 cm, klein en compact, met een dikke hals, een grote kop en een puntige staart van stijve veren. Het mannetje heeft een witte kop met een zwarte kruin die niet tot het oog reikt, een smalle zwarte halsring en een hemelsblauwe snavel met een hoog opgezwollen basis; het lichaam is warm roodbruin met een fijn gestippelde rug. In winterkleed wordt de snavel grijsblauw, maar de vorm blijft. Vrouwtjes en jonge vogels zijn donkerbruin met een donkere kruin, een lichte wang en één donkere streep dwars over die wang; ook bij hen valt de gezwollen snavelbasis op. Ligt laag in het water, duikt veel en vliegt zelden.

Verwarrings­soorten

De rosse stekelstaart (Oxyura jamaicensis), uit gevangenschap in Europa verwilderd en zo nu en dan in Marokko gezien, is de belangrijkste valkuil. Bij het mannetje loopt het zwart van de kruin door tot onder het oog, zodat alleen een witte wang overblijft; de snavelbasis is veel minder gezwollen en de onderstaart wit. Hybriden hebben tussenvormen. Bij vrouwtjes is de wangstreep van de rosse stekelstaart smaller en scherper, maar het snavelprofiel blijft het beste kenmerk. Vrouwtjes van de witoogeend (Aythya nyroca) en de tafeleend (Aythya ferina) missen de stijve staart en de wangstreep.

Leefgebied

Permanente, vrij diepe meren, stuwmeren en lagunes met zoet tot brak water en een brede gordel van riet en lisdodde. Duikt in het open water naar muggenlarven, kleine kreeftachtigen en zaden van waterplanten. Overwintert op grotere, open wateren, ook licht zoute meren en stuwmeren. Ondiepe plassen die in de zomer droogvallen zijn ongeschikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In de Maghreb broedt de soort in klein aantal in Noord-Marokko, op de meren van Noordoost-Algerije rond El Kala en op de hoogvlakten, en in Noord-Tunesië; in de winter komen er vogels bij en verzamelen zich op enkele Tunesische en Algerijnse stuwmeren en meren honderden exemplaren. In Libië en Egypte, waar vroeger grote aantallen overwinterden op de Nijldeltameren, is ze nu zeldzaam. In het oosten van het gebied een schaarse wintergast in Syrië, Irak en Israël, met losse gevallen in Saoedi-Arabië. Daarbuiten broedt een oostelijk bestand van Turkije en Zuid-Rusland tot Kazachstan en West-Mongolië, dat vooral in Turkije, Griekenland en Pakistan overwintert; een tweede westelijk bolwerk ligt in Spanje.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Tunesië en Noordoost-Algerije zijn de wintermaanden het beste, wanneer zich groepen op stuwmeren verzamelen; scan het open midden van het water met een telescoop en zoek naar kleine donkere eendjes met een opgestoken staart die telkens lang onder blijven. Noteer bij elk mannetje de wang en de snavelvorm, omdat hybriden met de rosse stekelstaart ook hier een zorg zijn.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN). Het wereldbestand is in de twintigste eeuw sterk teruggelopen door drooglegging, jacht en verdrinking in visnetten, en in Noord-Afrika vooral door het verdwijnen en verzilten van meren. Het Egyptische winterbestand is grotendeels verdwenen. Bescherming van de Algerijnse en Tunesische wateren en het tegengaan van hybridisatie met de rosse stekelstaart zijn de belangrijkste opgaven.

Wetenschappelijke naam

Oxyura leucocephala | (Scopoli, 1769)

Scopoli beschreef de soort in 1769 als Anas leucocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oxyura werd in 1828 ingevoerd door Bonaparte. Oxyura is Grieks, van oxys 'scherp, spits' en oura 'staart', naar de stijve staartveren die de vogel rechtop kan zetten. leucocephala is Grieks, van leukos 'wit' en kephalē 'hoofd', naar de witte kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Italië.