Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Afrikaanse maraboe
Afrikaanse maraboe | Leptoptilos crumenifer
Marabou Stork | Marabú Africano
De Afrikaanse maraboe is een reusachtige, gebogen staande ooievaar met een kale, vleeskleurige kop, een enorme wigvormige snavel en een hangende keelzak. Hij leeft vooral als aaseter en staat bij karkassen tussen de gieren, maar vangt ook vis, kikkers, ratten en jonge vogels. Met de spanwijdte van een grote gier behoort hij tot de grootste vliegende vogels van het gebied.
Geluid
Grotendeels stil. Luid snavelklapperen bij het nest en bij ruzies, daarnaast een laag gebrom, gegrom en een piepend geluid uit de keelzak bij het baltsen.
Opname: Josh Engel — CC BY-NC-SA 3.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
150 cm, spanwijdte 2,25 tot 2,85 meter. Bovendelen leigrijs, in de broedtijd met een lichte glans; slagpennen en staart zwartachtig, de dekveren van de vleugel met smalle witte randen. Onderdelen en kraag wit. Kop en hals zijn vrijwel kaal, roze tot rood met donkere vlekken en wat haarachtige dons; aan de voorhals hangt een roze keelzak die tijdens het baltsen wordt opgeblazen, en in de nek zit een tweede, oranjerode luchtzak. De snavel is massief, vuil hoornkleurig en recht. De poten zijn donker, maar lijken vaak wit doordat de vogel er ter koeling op poept. Jonge vogels zijn doffer en bruiner, met meer dons op de kop. In de vlucht wordt de hals teruggetrokken, zoals bij een reiger; de brede, donkere vleugels en witte onderkant geven een giersilhouet met lange poten.
Verwarringssoorten
Door de kale kop en de keelzak onmiskenbaar van dichtbij. In de vlucht kan hij met een gier worden verward, zoals de witruggier Gyps africanus, maar de lange snavel en de uitstekende poten maken het verschil. De zadelbekooievaar Ephippiorhynchus senegalensis is zwart-wit met een rood-zwarte snavel en vliegt met gestrekte hals. De roze pelikaan Pelecanus onocrotalus heeft een witte romp en een gele keelzak.
Leefgebied
Open savanne, overstromingsvlakten, rivieroevers en pannen, en tegenwoordig ook vuilnisbelten, slachthuizen en vissersdorpen. Staat rond karkassen van grote wilde dieren, volgt bosbranden om gevluchte dieren te vangen en verzamelt zich bij opdrogende poelen om gestrande vis te grijpen. Broedt in kolonies in hoge bomen, soms op rotsen, in het droge seizoen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverbreid in het noorden van het gebied: Botswana (vooral de Okavango, de Chobe en de Makgadikgadi), de Caprivi en Etosha in het noorden van Namibië, Zimbabwe, Zambia, Malawi, Mozambique en Angola. In Zuid-Afrika vooral in het Krugerpark en het laagveld van Limpopo en Mpumalanga, met een broedkolonie in Eswatini; verder naar het zuiden en westen een zeldzame zwerver. Buiten het gebied in Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal en Gambia tot Soedan en Ethiopië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het Krugerpark en de nationale parken van Botswana en Zambia: kijk bij een verse leeuwenprooi of bij een krioelende groep gieren, en bij grote vuilnisbelten buiten steden in het noorden. Op warme middagen zweven maraboes hoog in de thermiek, vaak samen met gieren; let op de teruggetrokken kop en de ver uitstekende poten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst; de aantallen zijn in delen van Oost-Afrika gegroeid dankzij afval bij steden. In het zuiden van het gebied is de soort minder talrijk en nationaal in Zuid-Afrika als gevoelig aangemerkt. Vergiftiging van karkassen, een groot probleem voor gieren, treft ook de maraboe.
Wetenschappelijke naam
Leptoptilos crumenifer | (Lesson, 1831)
Lesson beschreef de soort in 1831 als Ciconia crumenifera; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leptoptilos werd in 1831 ingevoerd door Lesson. Leptoptilos komt van het Griekse leptos, 'dun, fijn', en ptilon, 'veer' — naar de schaarse, donzige bevedering van kop en hals. crumenifer komt van het Latijnse crumena, 'geldbuidel', en -fer, 'dragend' — naar de grote, hangende keelzak. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


