Alle soorten › Struisvogelachtigen › Struisvogels › Afrikaanse struisvogel

Afrikaanse struisvogel | Struthio camelus

Common Ostrich | Avestruz Común

De Afrikaanse struisvogel is de grootste en zwaarste levende vogel. Hij kan niet vliegen maar rent sneller dan enig ander tweebenig dier, tot ongeveer 70 km/u, en is de enige vogel ter wereld met twee tenen aan elke voet.

Afrikaanse struisvogel (Struthio camelus)
Foto: Jerry Fischer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat vooral 's nachts en in de vroege ochtend een diep, driedelig boemend boe-boe-booeh horen dat kilometers ver draagt en op afstand op het brullen van een leeuw lijkt. Bij dreiging sissen en grommen beide geslachten met opengesperde snavel; kuikens roepen schril en fluitend.

Luister: RoepXC845942

Opname: Michael Chiappone — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een loopvogel van 175 tot 275 cm hoog, met een lange kale nek, een kleine platte kop en zeer grote ogen. Het mannetje is zwart met witte slagpennen en witte staartveren; nek en poten zijn grijsblauw en kleuren in de broedtijd roze tot rood. Vrouwtjes en jonge vogels zijn egaal grijsbruin met vuilwitte vleugelranden. De brede vleugels dienen voor balts, voor het sturen tijdens het rennen en als schaduw boven de kuikens. Elke voet draagt twee tenen, waarvan de binnenste een zware nagel heeft.

Verwarrings­soorten

Binnen het verspreidingsgebied geen verwarring mogelijk: geen andere vogel in zuidelijk Afrika bereikt deze afmetingen of loopt op twee tenen. De somalistruisvogel (Struthio molybdophanes), met blauwgrijze nek en poten, komt alleen in de Hoorn van Afrika voor.

Leefgebied

Open, kortbegroeid land: halfwoestijn, droge savanne, grasvlakten, Karoo, het Kalahari-zandveld, de randen van de Namib en kustvlakten. Dicht bos en hoge struwelen worden gemeden; de soort heeft overzicht over grote afstand nodig.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het droge westen en noorden van het gebied: Namibië, Botswana, zuidelijk Angola, Zimbabwe en het noorden en westen van Zuid-Afrika, met de grootste aantallen in de Kalahari, de Karoo, Etosha en het Krugerpark. In het zuiden van Zuid-Afrika stammen veel vogels af van de veerfokkerij rond Oudtshoorn. Verder over de savannes en steppen van Afrika ten zuiden van de Sahara, tot in de Sahel.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vroege ochtend en late middag op open vlakten; het zwart-witte mannetje is met de verrekijker kilometers ver te zien. Luister 's nachts naar het boemen, dat van augustus tot januari op zijn hoogtepunt is. Let op groepen kuikens achter één paar: die bestaan vaak uit jongen van meerdere vrouwtjes, want verschillende hennen leggen in hetzelfde kuilnest en het mannetje broedt 's nachts, het vrouwtje overdag.

Staat van instandhouding

Wereldwijd beoordeeld als niet bedreigd. Het areaal is groot, maar de werkelijk wilde populatie is versnipperd door veerasters, jacht en omzetting van vlakten in akkerland. Op veel plaatsen mengen ontsnapte of uitgezette fokvogels zich met wilde vogels, wat de genetische samenstelling van lokale populaties verandert.

Wetenschappelijke naam

Struthio camelus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Struthio voerde hij in datzelfde werk in. Struthio is het Latijn voor 'struisvogel', van het Griekse strouthion, dat teruggaat op strouthokamelos, letterlijk 'kameelmus' — een oude naam voor de struisvogel bij de Grieken. camelus is Latijn voor 'kameel'; de Grieken noemden de struisvogel strouthokamelos, 'kameelmus', naar de lange nek, de tweetenige poten en het leven in de woestijn — kenmerken die aan een kameel doen denken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sennar, Soedan.