Alle soorten › Gierzwaluwachtigen › Gierzwaluwen › Alpengierzwaluw

Alpengierzwaluw | Tachymarptis melba

Alpine Swift | Vencejo Real

De alpengierzwaluw is de grootste gierzwaluw van het gebied: een krachtige, bruine vlieger met een witte buik en witte keel, die met snelle, zwiepende slagen en lange glijvluchten hoog boven bergen en kliffen jaagt. In het gebied broedt een eigen Afrikaanse ondersoort in rotsspleten.

Alpengierzwaluw (Tachymarptis melba)
Foto: Afsarnayakkan — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, rollend en in toonhoogte op- en neergaand getriller, tititititi-ti-ti-tiii, vaak in koor van groepen die rond de broedwand jagen; lager en voller dan het gegier van kleinere gierzwaluwen.

Luister: VluchtroepXC1161372

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 21 cm, met een spanwijdte van rond 57 cm, veel forser dan elke andere gierzwaluw behalve de geschubde berggierzwaluw. Bovendelen, borstband, flanken en onderstaartdekveren zijn aards bruin; de keel en een grote vlek op de buik zijn helderwit. De vleugels zijn zeer lang en sikkelvormig, de staart is kort en licht gevorkt. De vleugelslag is trager en dieper dan bij kleinere gierzwaluwen, zodat de vogel op afstand aan een kleine valk kan doen denken. De seksen zijn gelijk; jonge vogels hebben lichte randjes aan de veren.

Verwarrings­soorten

De geschubde berggierzwaluw (Tachymarptis aequatorialis) is even groot maar geheel bruin, zonder witte buik. Kleinere gierzwaluwen, zoals de Kaapse gierzwaluw (Apus barbatus) en de gierzwaluw (Apus apus), zijn donkerder en hebben een langere, dieper gevorkte staart en geen witte buik. De witte buikvlek tussen donkere borstband en onderstaartdekveren is bij goed zicht beslissend.

Leefgebied

Hooggebergte, steile kliffen, kloven en rotsachtige kusten, en daarnaast elk luchtruim waar insecten samenkomen, vaak kilometers ver van de broedplaats en boven grasland, bos of water. Broedt in kolonies in spleten van rotswanden en soms in stuwdammen of hoge gebouwen; het nest is een kom van veren en plantendons, met speeksel gebonden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

De Afrikaanse broedpopulatie komt voor in de bergen van de West- en Oost-Kaap, de Drakensberg in Lesotho en KwaZulu-Natal, verder noordwaarts in Mpumalanga en Limpopo, op de escarpment van Namibië en in de hooglanden van Zimbabwe, Malawi en Angola; daarbuiten soms overal in het gebied als zwerver boven laagland. Europese trekvogels overwinteren vooral in Oost- en West-Afrika en bereiken het gebied waarschijnlijk alleen in klein aantal. Buiten het gebied broedt de soort van Zuid-Europa en Noordwest-Afrika tot India, en in Oost-Afrika en op Madagaskar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij bergpassen en kloven, zoals in de Drakensberg, de Cederberg of rond Kaapse bergpassen, zijn in de zomer vaak groepen te zien die met groot lawaai langs de rotswand razen. Bij opkomend onweer komen ze laag over dalen en stuwmeren. Kijk bij elke gierzwaluwgroep naar de grootste en traagst vliegende vogels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een zeer groot areaal en stabiele aantallen. Rotsbroedplaatsen zijn weinig kwetsbaar; afname van insecten door landbouwgif kan de voedselbeschikbaarheid verminderen.

Wetenschappelijke naam

Tachymarptis melba | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo Melba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tachymarptis werd in 1922 ingevoerd door Roberts. Tachymarptis is Grieks, van takhus 'snel' en marptis 'grijper', naar de vogel die zijn prooi in snelle vlucht uit de lucht pakt. melba is van onzekere herkomst; mogelijk een verkorting van melanoalba, van het Griekse melas 'zwart' en het Latijnse albus 'wit', naar het bruin met wit getekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.