Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Bates' honingzuiger

Bates' honingzuiger | Cinnyris batesi

Bates's Sunbird | Suimanga de Bates

Bates' honingzuiger is een kleine, onopvallend olijfkleurige honingzuiger van het kronendak van Centraal-Afrikaans regenwoud. In het gebied bereikt hij alleen de uiterste noordrand, in het noorden van Angola en het noordwesten van Zambia, en is hij een van de lastigst te vinden honingzuigers van de regio.

Bates' honingzuiger (Cinnyris batesi)
Foto: Zieger M — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoge, dunne tsip- en tsjit-roepjes, en een kort, snel en hoog getjilp als gezang, vanuit de boomkruin. Door de hoge frequentie gemakkelijk te missen.

Luister: RoepXC585226

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Zeer klein, 9 tot 10 cm, met een korte, vrij rechte snavel en een korte, rechtgesneden staart. Beide seksen zijn dof olijfgroen boven en lichter grijsolijf onder, met een zwakke geelachtige zweem op de buik en een iets donkerder staart met smalle lichte toppen. De okselpluimen van het mannetje zijn lichtgeel maar meestal verborgen. Er zijn geen metaalkleuren. Het gedrag is typisch voor een kroonbewoner: rusteloos tussen bladeren en bloeiende mistletoe, vaak in gemengde groepen.

Verwarrings­soorten

De kortstaarthoningzuiger (Anthreptes seimundi) is even klein en olijfkleurig, maar geler onder, met een rechte, nog kortere snavel en een lichte oogring. De olijfgroene honingzuiger (Cyanomitra olivacea) is veel groter, ongeveer 13 tot 15 cm, met een lange, sterk gebogen snavel. Vrouwtjes van andere honingzuigers, zoals de olijfbuikhoningzuiger (Cinnyris chloropygius), hebben een langere, meer gebogen snavel en vaak een lichte wenkbrauwstreep. Zekere determinatie vraagt een goede blik op snavel en onderdelen, of een geluidsopname.

Leefgebied

Het kronendak en de randen van vochtig laaglandbos, galerijbos langs rivieren en overgangen naar bosveld; komt lager bij bloeiende bomen aan bosranden en in open plekken. Voedt zich met nectar van mistletoe en boombloesem en met kleine insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden van Angola (Cabinda en de noordelijke provincies met galerij- en regenwoud) en in het uiterste noordwesten van Zambia, in het district Mwinilunga. Waarnemingen zijn schaars. Daarbuiten in de Centraal-Afrikaanse regenwoudgordel van Kameroen en Gabon tot het oosten van Congo-Kinshasa en het westen van Oeganda, met verspreide populaties verder westwaarts.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in galerijbossen rond Mwinilunga, zoals langs de Zambezi- en Mwinilunga-bronrivieren, naar bloeiende mistletoe in de kruinen en scan kleine, olijfkleurige honingzuigers geduldig met de verrekijker. Een opname van de roep helpt om hem van de kortstaarthoningzuiger te onderscheiden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Over het hele areaal wijdverspreid maar weinig opgemerkt. In het gebied is de soort lokaal en afhankelijk van het behoud van galerijbos, dat onder druk staat door kap en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris batesi | Ogilvie-Grant, 1908

Ogilvie-Grant beschreef de soort in 1908 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. batesi eert de Amerikaanse natuuronderzoeker George Latimer Bates (1863–1940), die jarenlang in Kameroen vogels verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit rivier de Dja (Kameroen) en Camma (Gabon).