Alle soorten › Zangvogels › Kwikstaarten en piepers › Bergpieper
Bergpieper | Anthus hoeschi
Mountain Pipit | Bisbita Montano
De bergpieper is de pieper van de kale hoogvlakten van Lesotho en de Drakensberg, waar hij alleen in de zomer broedt. Hij lijkt sterk op de kaneelpieper, maar is groter en donkerder en heeft zeemkleurige in plaats van witte buitenste staartpennen. Waar hij overwintert is nog altijd maar ten dele bekend.
Geluid
Het gezang is een herhaald tsjrie-tsjrie-tsjrie of trrie-trrie-trrie, dat het mannetje laat horen tijdens een hoge, golvende zangvlucht; het is trager, lager en voller van toon dan dat van de kaneelpieper. De roep bij het opvliegen is een schor tsjissik.
Opname: Maarten Sluijter — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Een forse pieper van 17 tot 18 cm, zwaarder en langer gestaart dan de kaneelpieper. De bovenzijde is donker bruin met brede, donkere veercentra, zodat de rug sterk gevlekt oogt. De onderzijde is warm zeemkleurig met zware, donkere streping over de hele borst. Een duidelijke bleke wenkbrauwstreep en een donkere baardstreep. De snavel is vrij lang met een roze basis van de ondersnavel (bij de kaneelpieper geelachtig). Het beste kenmerk zijn de buitenste staartpennen: zeemkleurig tot bleek okerkleurig, niet wit, wat bij het opvliegen goed te zien is. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De kaneelpieper (Anthus cinnamomeus) broedt lager maar overlapt aan de onderkant van het hooggebergte; hij is kleiner en bleker, met fijnere borststrepen, witte buitenste staartpennen en een geelachtige snavelbasis, en zingt sneller. De langsnavelpieper (Anthus similis) van rotsige hellingen is egaler van boven, zwakker gestreept op de borst en heeft ook zeemkleurige staartranden, maar een langere snavel en een ander gezang. De kopjespieper (Anthus crenatus) is ongestreept grijsbruin met een olijfgele vleugelvlek.
Leefgebied
Kort bergrasland op hoogvlakten, zachte hellingen en bergkammen boven ongeveer 2000 m, vaak met verspreide stenen en rotsplaten. Foerageert lopend op de grond naar insecten en nestelt onder een graspol. Buiten de broedtijd trekt de soort weg en is zij niet in het hooggebergte te vinden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In de broedtijd beperkt tot het hooggebergte van Lesotho en de aangrenzende hoge Drakensberg in KwaZoeloe-Natal, het oosten van de Vrijstaat en het noordoosten van de Oost-Kaap. De winterkwartieren zijn slecht bekend; de weinige vondsten wijzen op Angola en het zuiden van Congo-Kinshasa, en mogelijk Zambia. Een pieper met zeemkleurige staartranden die daar in de droge tijd opduikt, verdient aandacht.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd tussen december en februari over de Sanipas naar het Lesotho-plateau of wandel op de hoge graslanden van de Drakensberg, en luister naar het trage, zware gezang in de lucht. Een gelande vogel is met een telescoop te beoordelen op zware borststreping, roze snavelbasis en, bij het opvliegen, de zeemkleurige staartranden.
Staat van instandhouding
Gevoelig (Near Threatened). Het broedgebied is klein en beperkt tot het hooggebergte, waar overbegrazing, erosie en klimaatverandering de kwaliteit van het bergrasland aantasten. Over de aantallen en de omstandigheden in de winterkwartieren is weinig bekend.
Wetenschappelijke naam
Anthus hoeschi | Stresemann, 1938
Stresemann beschreef de soort in 1938 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anthus werd in 1805 ingevoerd door Bechstein. Anthus is het Latijnse woord voor een klein vogeltje van graslanden dat Plinius de Oudere noemt. hoeschi eert de Duitse boer en ornitholoog Walter Hoesch (1896–1961), die in Namibië vogels bestudeerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Erongogebergte, Namibië.
