Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Bontbekplevier

Bontbekplevier | Charadrius hiaticula

Common Ringed Plover | Chorlitejo Grande

De bontbekplevier is een gedrongen plevier met één zwarte borstband en een oranje snavelbasis, die van september tot april in wisselende aantallen langs de kust en bij binnenwateren van het hele gebied verblijft. Hij is de algemeenste van de Palearctische plevieren in zuidelijk Afrika.

Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, opgaand, fluitend toe-iep, vaak bij het opvliegen; ook een kort poe. In het overwinteringsgebied roept de soort geregeld in de vlucht.

Luister: ZangXC1167431

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm. Bovendelen grijsbruin, onderdelen wit, met een volledige borstband en een witte halsband daarboven. In het zomerkleed zijn masker en borstband zwart, is het voorhoofd wit en is de snavel oranje met een zwarte punt; de poten zijn oranje. In het winterkleed en bij jonge vogels zijn masker en borstband bruinzwart, is de borstband in het midden vaak smaller of onderbroken, is de snavel grotendeels donker en zijn de poten doforanje. In de vlucht een duidelijke witte vleugelstreep. Geen of slechts een onopvallende oogring.

Verwarrings­soorten

De kleine plevier Thinornis dubius is slanker, heeft een gele oogring, een geheel donkere snavel, vleeskleurige poten en geen vleugelstreep. De driebandplevier Thinornis tricollaris heeft twee zwarte borstbanden, een grijs gezicht en een rode oogring. De vale strandplevier Anarhynchus marginatus en de herdersplevier Anarhynchus pecuarius hebben geen volledige borstband.

Leefgebied

Getijdenslik, estuaria, lagunes en zandstranden, en landinwaarts de modderige oevers van dammen, pannen, rioolwaterzuiveringen en rivieren. Foerageert op de typische plevierwijze, rennend en plotseling stilstaand, vaak met trippelende voet om prooi op te jagen; overtijt in groepen met andere kleine steltlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het hele gebied: langs de kusten van Angola, Namibië, Zuid-Afrika en Mozambique het talrijkst, landinwaarts wijdverspreid maar in kleinere aantallen in Botswana, Zimbabwe, Zambia, Malawi, Eswatini en Lesotho. Broedt van Groenland en Noordoost-Canada door Europa tot Noordoost-Siberië en overwintert in West-Europa, Afrika en Zuidwest-Azië; zuidelijk Afrika vormt de zuidrand van het overwinteringsgebied.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van oktober tot maart op vrijwel elk estuarium of groter getijdenslik, en op dammen en rioolwaterzuiveringen landinwaarts waar de oevers droogvallen. Zoek bij hoog water tussen groepen overtijende kleine steltlopers. Bij het onderscheid met de kleine plevier helpen de oogring en de vleugelstreep: een bontbekplevier die opvliegt, toont altijd een witte streep.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot. In zuidelijk Afrika overwinteren enkele tienduizenden vogels. Verstoring op stranden, de aantasting van estuaria en de verdwijning van ondiepe oevers bij regulering van waterpeilen spelen lokaal een rol.

Wetenschappelijke naam

Charadrius hiaticula | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Charadrius voerde hij in datzelfde werk in. Charadrius is laat-Latijn, uit het Griekse kharadrios: een onopvallend gekleurde nachtvogel van ravijnen en rivierdalen, van kharadra 'ravijn'. hiaticula is laatmiddeleeuws Latijn voor een plevier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.