Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Kaspische plevier

Kaspische plevier | Anarhynchus asiaticus

Caspian Plover | Chorlito Asiático

De Kaspische plevier is een slanke, hoogpotige plevier van de Aziatische steppen die in zuidelijk Afrika overwintert, niet aan de waterkant maar op droog, kortgegraasd of pas afgebrand grasland. Kleine groepen staan rechtop en onbeweeglijk tussen het gras en worden vaak pas opgemerkt als ze opvliegen.

Kaspische plevier (Anarhynchus asiaticus)
Foto: Tsrawal — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, scherpe roep, tjoep of kwit, vaak herhaald bij het opvliegen, en een zacht fluitend tuu-it binnen de groep.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

19–22 cm. Rank gebouwd met lange poten en een dunne, spitse zwarte snavel. In het winterkleed, dat in het gebied het meest wordt gezien, is de bovenkant egaal grijsbruin met lichte veerzomen, de brede wenkbrauwstreep en het voorhoofd zijn wit tot bleek zandkleurig en loopt een brede, bijna gesloten grijsbruine band over de borst. In het broedkleed, dat vanaf februari verschijnt, draagt het mannetje een kastanjebruine borstband met een smalle zwarte onderrand en een helder wit gezicht. De poten zijn geelgroen tot grijsgroen. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep, een grijzige ondervleugel en weinig wit aan de staartzijden.

Verwarrings­soorten

De woestijnplevier Anarhynchus leschenaultii heeft een veel zwaardere snavel, alleen zijvlekken op de borst en een witte ondervleugel, en blijft aan de kust. De Mongoolse plevier Anarhynchus mongolus is kleiner, korter van poot en eveneens aan wadplaten gebonden. De Aziatische goudplevier Pluvialis fulva is groter en goudgevlekt. Ook de Temmincks renvogel Cursorius temminckii kiest afgebrand veld, maar is roestbruin met een zwarte buikvlek en een zwart-witte kopstreep.

Leefgebied

Kort grasland, overbeweid weiland, pas afgebrand veld, graslandvlakten langs rivieren en de randen van opgedroogde pannen; ook landingsbanen en sportvelden. Vaak kilometers van open water. Zoekt in korte sprintjes naar termieten, kevers en sprinkhanen, geheel in de manier van een plevier: rennen, stilstaan, pikken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het noorden van het gebied: noordelijk Botswana, Zimbabwe, Zambia, de Zambezi-regio en het noorden van Namibië (Etosha) en het zuiden van Angola; schaars in Limpopo en Noordwest en daarbuiten in Zuid-Afrika een zeldzaamheid. Broedt in de steppen en halfwoestijnen van de Kaspische Zee tot Kazachstan en West-China en overwintert in Oost- en zuidelijk Afrika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek van november tot februari op pas afgebrande vlakten en kortgegraasde graslanden, vooral in noordelijk Botswana, Hwange en de Zambiaanse vloedvlakten. De vogels drukken zich en zijn in het zandkleurige gras moeilijk te zien; rij langzaam en scan de grond bij lage zon. Op het einde van de zomer kleuren de mannetjes naar het broedkleed.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het broedgebied in de Centraal-Aziatische steppen is groot, maar plaatselijk gaan aantallen achteruit door omzetting van steppe in akkerland. In zuidelijk Afrika varieert het aantal sterk van jaar tot jaar, afhankelijk van regenval en branden.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus asiaticus | (Pallas, 1773)

Pallas beschreef de soort in 1773 als Charadrius asiaticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. asiaticus is Latijn voor 'Aziatisch', naar de broedgebieden in de steppen van Centraal-Azië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de zoutmeren van de Centraal-Aziatische steppe.