Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Mongoolse plevier
Mongoolse plevier | Anarhynchus mongolus
Siberian Sand Plover | Chorlitejo Mongol Chico
De Mongoolse plevier is een compacte zandplevier met een korte, stompe snavel die in kleine aantallen de wadplaten van de Mozambikaanse kust bezoekt. Sinds de splitsing van de oude soort wordt de naam in strikte zin gebruikt voor de Oost-Siberische vogels; de meeste zandplevieren die Oost-Afrika bereiken behoren tot de tibetaanse groep (Anarhynchus atrifrons, ondersoort pamirensis). In het veld zijn beide in het winterkleed niet met zekerheid te scheiden.
Geluid
Een korte, harde triller, drrit of kruit, vaak in de vlucht; harder en droger dan de roep van de woestijnplevier.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
18–21 cm. In het winterkleed is de bovenkant egaal grijsbruin, het voorhoofd en de wenkbrauwstreep wit en zitten er grijsbruine vlekken aan de zijkanten van de borst, soms verbonden tot een smalle band. De snavel is kort, zwart en stomp, niet langer dan de afstand van snavelbasis tot achterkant van het oog. De poten zijn donkergrijs tot groengrijs. In het broedkleed, dat vanaf maart wordt aangelegd, draagt het mannetje een zwart masker en een brede roestrode borstband. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep; de tenen steken niet of nauwelijks voorbij de staart.
Verwarringssoorten
De woestijnplevier Anarhynchus leschenaultii is groter, met een langere en zwaardere snavel met een verdikte punt, een grotere kop, langere en lichtere poten en tenen die in de vlucht voorbij de staart steken; in gemengde groepen is het verschil in grootte het beste kenmerk. De bontbekplevier Charadrius hiaticula heeft een oranje snavelbasis, oranje poten en een volledige borstband. De Kaspische plevier Anarhynchus asiaticus is hoogpotiger, heeft een vollere borstband en staat op droog grasland.
Leefgebied
Getijdenslikken, zand- en slikplaten in estuaria, kreken in mangroven en lagunes; bij hoog water op zandstranden en schoorwallen. Foerageert verspreid over het slik, met de typische ren-stop-pik-beweging, op krabbetjes, wormen en kleine weekdieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vooral langs de kust van Mozambique, van de Baai van Maputo en Inhaca via Inhambane en de Bazaruto-archipel tot Beira; in kleine aantallen in KwaZulu-Natal en daarbuiten een dwaalgast tot de Westkaap en Namibië. De soort in strikte zin broedt in Oost-Siberië en overwintert voornamelijk van Zuidoost-Azië tot Australië; de tibetaanse groep broedt in de hooggebergten van Centraal-Azië en overwintert aan de kusten van de Rode Zee, Oost-Afrika en Zuid-Azië.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste van november tot maart op de wadplaten van Inhaca, de Baai van Maputo en de estuaria rond Vilankulo, bij opkomend water wanneer de vogels dichter bij het strand komen. Vergelijk steeds met de woestijnplevier in dezelfde groep: snavellengte ten opzichte van de kop en de beenlengte zijn het beste houvast.
Staat van instandhouding
Bedreigd. De Oost-Siberische vogels zijn sterk afgenomen door het verdwijnen van de getijdengebieden rond de Gele Zee, hun belangrijkste pleisterplaats tijdens de trek. De tibetaanse groep is minder in de problemen. In zuidelijk Afrika vormen verstoring op de wadplaten en de aantasting van mangroven de voornaamste bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Anarhynchus mongolus | (Pallas, 1776)
Pallas beschreef de soort in 1776 als Charadrius mongolus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. mongolus betekent 'Mongools' — naar de vindplaats van het type bij de Mongoolse grens in Siberië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zoutmeren bij de Mongoolse grens (Onon-rivier), Siberië.
