Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Breedbekstrandloper

Breedbekstrandloper | Calidris falcinellus

Broad-Billed Sandpiper | Correlimos Falcinelo

De breedbekstrandloper is een kleine, kortpotige strandloper met een lange, aan de basis brede snavel die aan de punt duidelijk naar beneden knikt. Hij broedt in venen en moerassen van Scandinavië tot Oost-Siberië en is in zuidelijk Afrika een schaarse wintergast op het slik van estuaria, vooral aan de oostkust.

Breedbekstrandloper (Calidris falcinellus)
Foto: Afsarnayakkan — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, zoemend tsjrrrèt of brrrit, vooral in de vlucht, lager en rauwer dan de roep van de krombekstrandloper.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1168763

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm, iets groter dan een kleine strandloper. In het winterkleed grijs van boven met donkere schachtstrepen en veercentra, wit van onderen met fijne streepjes op de borst. De kop toont het kenmerkende patroon van een dubbele, zich splitsende wenkbrauwstreep: een tweede, smalle lichte lijn boven de hoofdstreep, het best zichtbaar bij jonge vogels. De snavel is zwart, vrij lang, aan de basis breed en aan de punt neergebogen; de korte poten zijn donker grijsgroen. Jonge vogels hebben een donkere rug met lichte veerranden die witte V-lijnen vormen. Beweegt traag en prikt diep in zacht slik.

Verwarrings­soorten

De bonte strandloper Calidris alpina is groter en langerpotig, zonder gesplitste wenkbrauwstreep. De kleine strandloper Calidris minuta is kleiner en heeft een kort, recht snaveltje. De krombekstrandloper Calidris ferruginea is groter, langerpotig, met een gelijkmatig gebogen snavel en een witte stuit.

Leefgebied

Zacht, modderig getijdenslik in estuaria, lagunes en mangroven, vooral op plekken met fijn slib; soms in zoutwinningen en uitzonderlijk op zoete binnenwateren. Voegt zich vaak bij groepen krombekstrandlopers en kleine strandlopers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral langs de oostkust: estuaria en baaien van Mozambique (onder meer Inhambane, Maputobaai) en KwaZoeloe-Natal (Richardsbaai, St Lucia, Durban), in kleinere aantallen langs de zuidkust. Aan de westkust zeldzaam, met gevallen bij Walvisbaai en in de lagunes van de West-Kaap; in het binnenland een zeldzame dwaalgast. Buiten het gebied overwintert hij langs de kusten van Oost-Afrika, de Perzische Golf, Zuid- en Zuidoost-Azië en Australië.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek bij opkomend tij in de estuaria van Richardsbaai of de Mozambikaanse kust de groepen kleine steltlopers af naar een donkere, gedrongen vogel met een 'knik' in de snavel en een gestreepte kop. Door zijn trage, diepe prikbewegingen valt hij tussen de rondrennende kleine strandlopers op.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar: de soort gaat wereldwijd sterk achteruit door verlies van getijdengebieden langs de trekroutes, met name rond de Gele Zee. In zuidelijk Afrika is hij van oudsher schaars en zijn estuaria aan de oostkust de belangrijkste gebieden.

Wetenschappelijke naam

Calidris falcinellus | (Pontoppidan, 1763)

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Scolopax Falcinellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. falcinellus is een verkleinwoord van het Latijnse falx, falcis 'zeis, sikkel' en betekent dus 'sikkeltje'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Seeland in Denemarken.