Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Krombekstrandloper

Krombekstrandloper | Calidris ferruginea

Curlew Sandpiper | Correlimos Zarapitín

De krombekstrandloper is een slanke strandloper met vrij lange zwarte poten en een lange, gelijkmatig neerwaarts gebogen snavel. Hij broedt op de toendra van Noord-Siberië en is in zuidelijk Afrika de talrijkste overwinterende steltloper, zowel aan de kust als op pannen in het binnenland.

Krombekstrandloper (Calidris ferruginea)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, kabbelend tjirrip of kirrip, vooral in de vlucht; troepen laten een aanhoudend gekwetter horen.

Luister: VluchtroepXC1175163

Opname: Xavier Riera — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–23 cm. In het winterkleed egaal grijs van boven, wit van onderen met een lichtgrijze waas op de borst en een duidelijke witte wenkbrauwstreep. Jonge vogels hebben een geschubde rug met lichte veerranden en een warm beige waas op de borst. Voor het vertrek in maart en april kleuren adulten steenrood op kop en onderdelen, vaak eerst vlekkerig. De snavel is zwart, langer dan de kop en over de hele lengte gebogen. In de vlucht een smalle witte vleugelstreep en een zuiver witte stuit, die de soort direct onderscheidt.

Verwarrings­soorten

De bonte strandloper Calidris alpina, hier een dwaalgast, is gedrongener en kortpotiger, met een donkere middenstreep door de stuit en een snavel die vooral aan de punt gebogen is. De kanoet Calidris canutus is groter en gedrongener, met een korte, rechte snavel en een grijze stuit. De kleine strandloper Calidris minuta is veel kleiner en heeft een kort, recht snaveltje. De terekruiter Xenus cinereus heeft een opgewipte snavel en oranjegele poten.

Leefgebied

Getijdenslik, lagunes, estuaria en zoutwinningen aan de kust, en in het binnenland de modderige randen van pannen, dammen en zuiveringsvijvers. Waadt vaak tot de buik in het water en pikt snel of prikt met de snavel in de modder naar wormen, kreeftjes en insectenlarven. Rust bij hoogwater in grote, dichte troepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Talrijk langs de hele kust, met de grootste concentraties aan de westkust: Walvisbaai en Sandwich Harbour in Namibië en de Langebaan-lagune en het Bergrivier-estuarium in Zuid-Afrika. Ook algemeen in estuaria van KwaZoeloe-Natal en Mozambique. In het binnenland verspreid over het hele gebied, vooral op pannen en dammen in Botswana, Zambia, Zimbabwe en op het Hoogveld. Buiten het gebied overwintert hij in heel Afrika ten zuiden van de Sahara, in Zuid-Azië en Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een hoogwaterrustplaats aan de westkust kan duizenden krombekstrandlopers bevatten; kijk bij het opvliegen naar de witte stuit. In maart en april, als de adulten rood kleuren, is de soort het best herkenbaar; zoek dan tussen de troepen naar kanoeten en zeldzamere strandlopers.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar: de wereldpopulatie is snel afgenomen, vooral door verlies van getijdengebieden langs de trekroute via de Gele Zee. Ook de aantallen die in zuidelijk Afrika overwinteren zijn sinds de jaren tachtig sterk gedaald. Bescherming van lagunes, estuaria en zoutwinningen aan de westkust is belangrijk.

Wetenschappelijke naam

Calidris ferruginea | (Pontoppidan, 1763)

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Tringa Ferrugineus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. ferruginea komt van het Latijnse ferrugo, ferruginis 'ijzerroest', naar de roodbruine kleur van het broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Denemarken.