Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Drieteenstrandloper
Drieteenstrandloper | Calidris alba
Sanderling | Correlimos Tridáctilo
De drieteenstrandloper is de bleke strandloper van de branding: groepjes rennen als opwindspeelgoed achter terugtrekkende golven aan en vluchten voor de volgende. Hij broedt op de Arctische toendra en is in de zuidelijke zomer talrijk op de zandstranden van de westkust, van de Kaap tot in Angola.
Geluid
Een kort, vloeiend twiek of plit, vaak herhaald bij het opvliegen; in groepen een zacht getwitter.
Opname: Ricardo Hevia — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
19–21 cm. Een gedrongen, vrij kortsnavelige strandloper met een rechte, zwarte snavel en zwarte poten zonder achterteen. In winterkleed de lichtste strandloper van het gebied: bovendelen bleek zilvergrijs, onderdelen stralend wit, met een zwart vlekje in de vleugelbocht dat bij de zittende vogel vaak te zien is. Het gezicht is wit met een donker oog in een verder vrijwel ongetekende kop. Jonge vogels in september en oktober hebben een zwart-wit geschubde mantel. Vogels in de voorjaarsrui krijgen vanaf maart een roestbruine, zwart gevlekte kop, borst en mantel. In de vlucht een brede witte vleugelstreep tegen een donkere voorvleugel en handpennen, en een witte stuit met donkere middenstreep.
Verwarringssoorten
De bonte strandloper Calidris alpina is in winterkleed donkerder grijsbruin, met een langere, aan de punt afhangende snavel en een grijze borstband. De krombekstrandloper Calidris ferruginea heeft een lange, gebogen snavel, langere poten en een witte stuit, en foerageert liever op slik dan in de branding. De kleine strandloper Calidris minuta is veel kleiner en bruiner, met een fijnere snavel. De kanoet Calidris canutus is groter en grijzer, met een zwaardere bouw en groengrijze poten.
Leefgebied
Vooral open zandstranden met branding, waar hij in de spoellijn en het natte zand naar kleine kreeftachtigen, wormen en schelpdiertjes pikt; ook in lagunes, estuaria en zoutwerken, zoals bij Walvisbaai. Binnenlands zeldzaam, dan aan de oever van grote dammen en pannen. Rust bij hoogwater in dichte groepen boven de vloedlijn.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Langs de hele kust van het gebied, het talrijkst op de westkust van Namibië en de Westkaap, met duizenden vogels rond Walvisbaai en Sandwich Harbour; ook langs de zuid- en oostkust van Zuid-Afrika, de kust van Mozambique en de kust van Angola. Binnenlands een schaarse doortrekker in Botswana, Zambia en Zimbabwe. Overwintert op kusten van vrijwel alle continenten; broedt rond de Noordpool, in Siberië, Groenland en het noorden van Canada.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop op een zandstrand langs de Atlantische kust tijdens opkomend water: groepjes lichte vogeltjes die met snel draaiende pootjes met elke golf mee heen en weer rennen zijn vrijwel zeker drieteenstrandlopers. Bij Walvisbaai zitten ze bij hoogwater samen met krombekstrandlopers en kanoeten op de lagunedijken, wat een goede vergelijking geeft.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een zeer grote wereldpopulatie. In zuidelijk Afrika zijn de aantallen sinds de jaren tachtig wel duidelijk afgenomen, waarschijnlijk door verstoring van stranden door voertuigen en recreatie en door veranderingen langs de trekroute. Walvisbaai en de Westkaapse lagunes zijn van internationaal belang voor de soort.
Wetenschappelijke naam
Calidris alba | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Trynga alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. alba is Latijn voor 'wit', naar het bleke winterkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Noordzeekust.

