Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Brilpinguïn

Brilpinguïn | Spheniscus demersus

African Penguin | Pingüino del Cabo

De brilpinguïn is de enige pinguïn die op het Afrikaanse vasteland broedt. Hij is te herkennen aan de zwarte hoefijzervormige band over de witte borst en de roze kale huid boven het oog, en zijn balkende roep gaf hem zijn oude naam jackass penguin.

Brilpinguïn (Spheniscus demersus)
Foto: shi zhao — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie een luid, ezelachtig balken van twee tot drie lettergrepen, aa-aa-aaaah, met achterover geheven kop; het geluid draagt ver en is 's nachts het sterkst. Op zee en bij het nest daarnaast korte blafjes en zacht gekreun.

Luister: UncertainXC1072676

Opname: JJSUN — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 60 tot 70 cm lang, met zwarte bovendelen en witte onderdelen. Over de borst en langs de flanken loopt een smalle zwarte band in de vorm van een hoefijzer, en het zwarte gezichtsmasker wordt omzoomd door een brede witte band van voorhoofd tot keel. Boven het oog ligt een kale roze klierhuid die bij warmte roder kleurt. De borst draagt een wisselend patroon van zwarte stippen, voor elke vogel uniek. Het vrouwtje is gemiddeld kleiner met een fijnere snavel. Jonge vogels zijn eenkleurig blauwgrijs, zonder band of gezichtstekening.

Verwarrings­soorten

Binnen het verspreidingsgebied geen verwarring mogelijk: geen andere pinguïn broedt hier. Zwervers uit het zuiden, zoals de Magelhaenpinguïn en de rotspinguïns, zijn uiterst zeldzaam; de Magelhaenpinguïn heeft twee zwarte borstbanden, de rotspinguïns gele kuifveren. Op zee kan een zwemmende pinguïn met een duikende aalscholver worden verward, maar hij ligt lager en duikt zonder zichtbare sprong.

Leefgebied

Rotsachtige kusteilanden en enkele vastelandkolonies op strand en duin, met broedholen onder guanolagen, struiken of kunstmatige nestkasten. Foerageert in de koude, voedselrijke Benguelastroom en in de Agulhasstroom, doorgaans binnen enkele tientallen kilometers van de kolonie, op sardien en ansjovis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Beperkt tot de kust van Namibië en Zuid-Afrika, van Hollamsbird Island bij Walvisbaai tot in de oostelijke Kaap bij Gqeberha, met de grootste kolonies op Mercury, Ichaboe en Halifax bij Namibië en op Dassen, Robben, Dyer en St Croix bij Zuid-Afrika, plus de vastelandkolonies van Boulders Beach en Stony Point. Buiten de broedtijd zwerven vogels noordwaarts tot in Angola en oostwaarts tot in Mozambique.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De vastelandkolonies bij Simon's Town en Betty's Bay zijn het hele jaar toegankelijk en bieden zicht van dichtbij vanaf vlonderpaden. Vroege ochtend en late middag, wanneer vogels het water in en uit gaan. De rui, waarbij de vogels drie weken aan land blijven en niet eten, valt in Zuid-Afrika vooral van november tot januari; het broeden piekt van maart tot mei.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd. De populatie is in ruim een eeuw met meer dan 95 procent afgenomen en telt nog ongeveer twintigduizend volwassen vogels. Oorzaken zijn het historische wegnemen van guano en eieren, de concurrentie met de visserij om sardien en ansjovis, verschuiving van de visstand, olievervuiling na scheepsrampen, predatie door kaapse pelsrobben en meeuwen, en hitte in onbeschaduwde kolonies. Sinds 2025 gelden rond zes belangrijke broedplaatsen permanente visverboden.

Wetenschappelijke naam

Spheniscus demersus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Diomedea demersa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spheniscus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Spheniscus is het verkleinwoord van het Griekse sphen, 'wig' — 'wigje', naar de wigvormige, tot vinnen vergroeide vleugels waarmee pinguïns zwemmen. demersus is Latijn voor 'ondergedompeld, gedoken', naar het duikgedrag van de soort. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.