Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Bronsnekduif

Bronsnekduif | Columba iriditorques

Western Bronze-Naped Pigeon | Paloma Nuquibronceada

De bronsnekduif is de westelijke tegenhanger van Delegorgues duif, een kleine duif van het Guineo-Congolese regenwoud die het gebied alleen in het noorden van Angola en het uiterste noordwesten van Zambia bereikt. Zij leeft hoog in de kruinen en wordt vooral op haar roep gevonden.

Bronsnekduif (Columba iriditorques)
Foto: Heinrich Human — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een reeks van vijf tot twaalf zachte, holle koertonen die eerst luider worden en daarna versnellen en dalen, koe-koe-KOE-KOE-koe-koe-kukuku, vanuit de kruin. Het geluid is het beste middel om de soort op te sporen.

Luister: ZangXC843824

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 26 cm, klein en compact. Het mannetje heeft een grijze kop, een glanzend brons- tot groenpaarse achterhals en een donkere, leigrijze bovenzijde. De onderdelen zijn wijnroze tot kaneelkleurig, de onderstaartdekveren roestbruin. De staart is donker met een brede lichtgrijze eindband, in vlucht goed zichtbaar. Een lichte nekband zoals bij Delegorgues duif ontbreekt. Het vrouwtje heeft een roestbruine kop en roestiger onderdelen en minder weerschijn in de nek. Het oog is lichtgeel tot oranje, de poten zijn roodpaars. Jonge vogels zijn doffer, met roestbruine veerranden.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse houtduif (Columba unicincta) is groter en veel lichter grijs, met een lichte staartband en zonder wijnrode onderdelen. De roodoogtortel (Streptopelia semitorquata) heeft een zwarte halsband en zit vaker aan bosranden en in open terrein. Delegorgues duif (Columba delegorguei) komt in het oosten van het gebied voor en overlapt niet; zij is donkerder van onderen, zonder lichte staartband, en het mannetje heeft een lichte nekband.

Leefgebied

Hoog, vochtig laaglandregenwoud, galerijbos langs rivieren en de dichte, altijdgroene bosstroken (mushitu) langs beken in het noordwesten van Zambia. Voedt zich in de kruinen met vruchten en bessen, vooral vijgen, en komt zelden op de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden van Angola (Cabinda, Uíge, Cuanza Norte en de Lunda-provincies) en in het uiterste noordwesten van Zambia (Mwinilunga), waar zij schaars is. Verder in het regenwoud van West- en Centraal-Afrika, van Sierra Leone en Guinee via Nigeria, Kameroen en Gabon tot het Congobekken en westelijk Oeganda.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De galerijbossen bij de bronnen van de Zambezi bij Mwinilunga, en de bossen van Kumbira en Kalandula in Angola. Luister vroeg in de ochtend naar de koerreeks uit de kruinen en zoek geduldig naar een zittende vogel op een kale tak boven het bladerdak. Jaarrond.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het Congolese regenwoud algemeen. In het gebied is het voorkomen klein en aan de rand van het areaal, en afhankelijk van het behoud van galerijbos en regenwoud, dat plaatselijk door kap en landbouw wordt aangetast.

Wetenschappelijke naam

Columba iriditorques | Cassin, 1857

Cassin beschreef de soort in 1857 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Columba werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Columba is het Latijnse woord voor 'duif'. iriditorques komt van het Latijnse iris, iridis, 'regenboog', en torques, 'halsband' — naar de glanzende, iriserende nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Saint Paul-rivier, Liberia.