Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Bronsvleugelrenvogel
Bronsvleugelrenvogel | Rhinoptilus chalcopterus
Bronze-Winged Courser | Corredor Patirrojo
De bronsvleugelrenvogel is de grootste renvogel van het gebied, een nachtactieve vogel van bosveld met een krachtig getekende kop, een donkere borstband en opvallend rode poten. De naam verwijst naar de metaalglanzende, violet tot koperkleurige toppen van de handpennen, die alleen bij goed licht in de vlucht te zien zijn.
Geluid
Vooral 's nachts een klagend, fluitend ki-kooi of dzji-koe-iet, herhaald en ver dragend; overdag meestal stil.
Opname: Derek Solomon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
25–29 cm. Bovendelen donker grijsbruin met fijne lichte veerranden. De kop is sterk getekend: een brede witte wenkbrauw, een donkere streep door het oog, een donkere vlek op de wang en een witte keel, met een opvallende rood-paarse oogring rond het grote donkere oog. Een brede grijsbruine borstband wordt aan de onderkant begrensd door een smalle zwarte lijn; de buik is wit. De snavel is zwart met een roodachtige basis, de poten zijn dieprood. In de vlucht een witte band over de bovenstaartdekveren, witte ondervleugels en donkere slagpennen met een violette glans aan de punten. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De driebandrenvogel Rhinoptilus cinctus is iets kleiner en bleker, met een gestreepte V op de hals, een roestbruine en zwarte borstband en gelige poten. Kieviten, zoals de wapenkievit Vanellus armatus, hebben een vergelijkbaar formaat en onderdelen, maar zijn overdag actief en hebben geen gestreepte kop met rode oogring. De Kaapse griel Burhinus capensis is groter, gevlekt en heeft gele ogen.
Leefgebied
Droog en halfdroog bosveld: mopane, miombo, gemengd bosveld en acaciabos, vaak met kale of pas afgebrande open plekken en weinig ondergroei. Rust overdag roerloos in de schaduw van een struik en foerageert 's nachts op open terrein en langs wegen op kevers, sprinkhanen en termieten. Broedt in de droge tijd, van juli tot december, vaak in pas afgebrand terrein; het nest is een kaal kuiltje met twee of drie eieren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana en het noorden van Namibië. In Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga (met het Krugerpark) en het noorden van KwaZulu-Natal, verder in Eswatini. Ontbreekt in het droge westen en de Kaap. Daarbuiten van Senegal door de Sahel en West-Afrika tot Ethiopië, Kenia en Tanzania.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rij direct na zonsondergang langzaam over onverharde wegen in het bosveld, zoals in het Krugerpark (alleen waar nachtritten toegestaan zijn) of in Zimbabwe; de oogweerkaatsing in de koplampen verraadt de vogel. Overdag zit hij zo roerloos onder struiken dat hij vrijwel alleen per toeval wordt gevonden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over het grote areaal vrij algemeen, maar door de nachtelijke leefwijze weinig opgemerkt. Veel vogels komen om in het verkeer; de omzetting van bosveld in akkers verkleint plaatselijk het leefgebied.
Wetenschappelijke naam
Rhinoptilus chalcopterus | (Temminck, 1824)
Temminck beschreef de soort in 1824 als Cursorius chalcopterus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhinoptilus werd in 1852 ingevoerd door Strickland. Rhinoptilus komt van het Griekse rhis (genitief rhinos), 'neusgaten', en ptilon, 'veer' — volgens Strickland (1852) naar de ver naar voren reikende voorhoofdsveren. chalcopterus komt van het Griekse khalkos, 'brons', en pteron, 'vleugel' — naar de violet-bronzen glans op de toppen van de handpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


