Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Vorkstaartplevier

Vorkstaartplevier | Glareola pratincola

Collared Pratincole | Canastera Común

De vorkstaartplevier is een zwaluwachtige steltloper van droogvallende uiterwaarden, pannen en rivieroevers, die in het gebied plaatselijk in kolonies broedt. In de schemering jaagt hij in losse groepen op vliegende insecten, met diep gevorkte staart en lange, spitse vleugels.

Vorkstaartplevier (Glareola pratincola)
Foto: Steve Garvie (rainbirder) — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, sternachtig kirrik of kik-kirrik-ik, vaak in koor van jagende groepen; bij de kolonie een rollend alarm bij verstoring.

Luister: VluchtroepXC1152595

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–28 cm. Bovendelen zandig olijfbruin, met iets donkerdere handpennen. De keel is crème, omlijnd door een smalle zwarte lijn die van het oog naar de borst loopt; in het winterkleed en bij jonge vogels is die lijn vaag. Borst warm bruinachtig, buik en stuit wit. De snavel is kort en zwart met een opvallende rode basis; de poten zijn kort en zwartachtig. In vlucht toont hij roodbruine ondervleugeldekveren, die vaak donker ogen, en een smalle witte achterrand aan de armpennen. De diep gevorkte zwart-witte staart reikt bij een zittende vogel tot of voorbij de vleugelpunt. Jonge vogels zijn geschubd met bleke veerzomen.

Verwarrings­soorten

De steppevorkstaartplevier Glareola nordmanni is donkerder van boven, heeft een geheel zwarte ondervleugel zonder witte achterrand, een kortere staart die niet tot de vleugelpunt reikt en minder rood aan de snavel. De rotsvorkstaartplevier Glareola nuchalis is kleiner en donker grijsbruin, met een witte nekstreep, koraalrode poten en een korte staart, en zit op rotsen in stromend water.

Leefgebied

Droogvallende uiterwaarden, randen van meren en pannen, oevers met kort gras of kale modder, en zandbanken in rivieren. Jaagt in de lucht op insecten, vooral in de avondschemering, maar pakt ook prooi lopend op de grond. Broedt in losse kolonies; de eieren liggen in een kuiltje op kale of verdroogde modder, en de ouders leiden indringers af met gespeelde verwondingen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Plaatselijk in het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia (onder meer Kafue Flats, Bangweulu en de Barotse-vlakte), Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden van Botswana (Okavango, Chobe, Makgadikgadi), de Caprivi in Namibië, en in Zuid-Afrika vooral in het noordoosten van KwaZulu-Natal (onder meer iSimangaliso en de Pongola-vlakte); elders zeldzaam. Daarbuiten van Zuid-Europa en Noord-Afrika tot Centraal-Azië, en in grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in de droge tijd naar grote uiterwaarden zoals de Kafue Flats of de pannen van het Okavangogebied, waar broedkolonies op kale modder liggen. Het beste moment is de avondschemering, wanneer groepen laag boven het water jagen. Kijk bij vliegende vogels naar de witte achterrand van de vleugel om de steppevorkstaartplevier uit te sluiten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, al gaat de soort in delen van het areaal achteruit. In zuidelijk Afrika is hij afhankelijk van seizoensgebonden overstromingsvlakten; stuwdammen en ingrepen in het waterregime verstoren broedplaatsen, en in Zuid-Afrika staat de soort op de regionale Rode Lijst.

Wetenschappelijke naam

Glareola pratincola | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Hirundo Pratincola; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Glareola werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Glareola is een Latijns verkleinwoord van glarea 'grind', naar de kale grindige grond waarop vorkstaartplevieren broeden. pratincola betekent 'weidebewoner', van Latijn pratum 'weide' en incola 'bewoner'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oostenrijk.