Alle soorten › Zangvogels › Grondtimalia's › Bruine lijstertimalia

Bruine lijstertimalia | Illadopsis fulvescens

Brown Illadopsis | Tordina Parda

De bruine lijstertimalia is een kleine, uiterst onopvallende bewoner van de ondergroei van laaglandregenwoud. In het gebied komt hij alleen in de bossen van het noordwesten van Angola voor; hij wordt vrijwel altijd eerst gehoord, aan een reeks heldere, eentonige fluittonen uit het donkere struikgewas.

Bruine lijstertimalia (Illadopsis fulvescens)
Foto: thierry_aebischer_chinko — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang bestaat uit heldere, zuivere fluittonen, elk afzonderlijk en met korte pauzes, vaak op één toonhoogte: fuuuu … fuuuu … fiiii. De zang is erg variabel van vogel tot vogel. De partner valt soms in met een droog, schor gekrakeel, tsjrrr-tsjrrr; bij onraad klinkt een scherp, verwijtend tsjek.

Luister: ZangXC1070313

Opname: Budongo Conservation Field Station — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm. Een gedrongen, kortstaartige timalia met een vrij lange, rechte snavel. De bovenzijde is warm donkerbruin, de kruin nauwelijks donkerder, de kopzijde iets grijzer. De keel is lichter, bleek grijsbruin tot vuilwit, zonder scherpe grens overgaand in de egaal geelbruine tot kaneelbruine borst en flanken; de buikmitte is iets lichter. Er is geen schubbentekening op de borst. De snavel is donker met een lichtere ondersnavel, de poten zijn opvallend lichtroze. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn roestiger van toon.

Verwarrings­soorten

De schubborstlijstertimalia Illadopsis albipectus leeft in dezelfde bossen en is bijna even groot, maar heeft een witte keel en buikmitte, een bleekgrijze borst met fijne donkere schubben en een meer olijfkleurige bovenzijde; in het veld is de zang het beste onderscheid. De Angolaloofbuulbuul Phyllastrephus fulviventris is slanker en langer gestaart, olijfkleuriger en foerageert hoger in het struikgewas. De bruinborstalethe Chamaetylas poliocephala is groter en langer gestaart, met een grijze kop, een witte wenkbrauwstreep en een witte keel.

Leefgebied

Dichte ondergroei van vochtig laaglandregenwoud en galerijbos, ook oudere secundaire bossen, koffieplantages onder schaduwbomen en de beboste hellingen van de Angolese escarpment. Leeft in paren of kleine familiegroepjes op en vlak boven de bosbodem, waar hij in het bladstrooisel en tussen lianen naar insecten, spinnen en andere kleine ongewervelden zoekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noordwesten van Angola: de bossen van Cabinda, Uíge, Cuanza Norte en Malanje, zuidwaarts langs de escarpment tot Cuanza Sul (onder meer Kumbira), en in het noordoosten in de galerijbossen rond Dundo in Lunda Norte. Niet uit Zambia bekend. Daarbuiten wijdverspreid in het West- en Centraal-Afrikaanse regenwoudgebied, van Senegal oostwaarts tot de DR Congo, Oeganda, West-Kenia en het noordwesten van Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Het best in de vroege ochtend, als de vogels het meest zingen, in de escarpmentbossen van Kumbira of in de bossen rond Uíge. Ga stil staan bij een dicht stuk ondergroei waar de fluittonen vandaan komen en wacht: de vogel schuift vaak al zoekend dichterbij en blijft soms even op een lage tak zitten. Let op de roze poten en de ongetekende borst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in geschikt bos vrij algemeen, maar in Angola sterk afhankelijk van de resterende escarpment- en regenwoudresten. Houtkap, het vervangen van schaduwkoffie door open landbouw en afbranden van bosranden doen het leefgebied plaatselijk krimpen.

Wetenschappelijke naam

Illadopsis fulvescens | (Cassin, 1859)

Cassin beschreef de soort in 1859 als Turdirostris fulvescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Illadopsis werd in 1860 ingevoerd door Heine. Illadopsis combineert het Griekse illas, genitief illados, 'lijster', met opsis, 'uiterlijk' — naar het lijsterachtige voorkomen van deze bosvogels. fulvescens is Latijn voor 'geelbruin wordend, tanig', van fulvus — naar het warmbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Camarivier, Gabon.