Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Bruinkapwever

Bruinkapwever | Ploceus insignis

Brown-Capped Weaver | Tejedor Insigne

De bruinkapwever is een kleine, felgele boswever van Afrikaanse bergbossen, die als een boomklever langs bemoste takken klimt. Het mannetje draagt een kastanjebruine kap boven een zwart gezicht. In het gebied is hij alleen bekend uit de bergbossen van Angola, aan de uiterste zuidrand van zijn verspreiding.

Bruinkapwever (Ploceus insignis)
Foto: JunjleboiB — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een zacht, hoog en sissend gekwetter en een dun tsiet of tsjip als contactroep; het lied is een korte, droge reeks zoemende tonen. De vogel is vaak rustig en valt meer op door zijn gedrag dan door zijn stem.

Luister: RoepXC283454

Opname: Martin St-Michel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm; een kleine, slanke wever met een vrij dunne, zwarte snavel. Het mannetje heeft een kastanjebruin voorhoofd, kruin en nek, zwarte teugels, wangen, oorstreek en kin, en is verder helder geel op rug en onderzijde; vleugels en staart zijn zwart met gele randen, zodat de vogel in vlucht geel en zwart oogt. Het vrouwtje heeft een zwarte in plaats van kastanjebruine kap en is iets doffer. Het oog is donker. Jonge vogels zijn doffer, met een olijfkleurige kop zonder duidelijke kap. Er is geen apart kleed buiten de broedtijd. Kruipt als een boomklever langs de onderkant van bemoste takken.

Verwarrings­soorten

De brilwever (Ploceus ocularis) heeft een gele kop met een smalle zwarte oogstreep, een bleek oog en een olijfgroene rug, zonder kastanjebruine of zwarte kap. De zwartnekwever (Ploceus nigricollis) heeft een gele kop met een zwarte oogstreep en een donkere rug. De woudwever (Ploceus bicolor) heeft een geheel donkere kop en rug. De combinatie van kap, zwart gezicht, gele rug en boomkleverachtig gedrag in bergbos is kenmerkend; de kleur van de kap scheidt de seksen.

Leefgebied

Vochtig bergbos en hoger gelegen escarpmentbos, vooral in het bladerdak en tussen bemoste takken, klimplanten en baardmos; ook aan bosranden. Foerageert in paren of kleine groepen, vaak in gemengde foerageergroepen, en zoekt insecten en vruchten langs de onderzijde van takken. Broedt solitair; het nest hangt aan een tak en heeft een ingangsbuis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het westen van Angola, zeer plaatselijk in bergbos en hoger gelegen escarpmentbos. Daarbuiten in gescheiden populaties in de bergbossen van Nigeria en Kameroen, op Bioko, en in het Albertine Rift, Oeganda, Kenia en het noorden van Tanzania.

Hoe en wanneer kijken

Zeer lokaal en in het gebied slecht bekend; zoek in de resterende bergbossen van West-Angola naar gemengde foerageergroepen en let op een kleine gele wever die ondersteboven langs bemoste takken kruipt. Een goed bekeken mannetje met kastanjebruine kap is nodig voor een zekere waarneming.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd over het hele areaal. In Angola is de soort kwetsbaar door de kleine, versnipperde bergbossen waarin hij leeft, die onder druk staan door kap en landbouw.

Wetenschappelijke naam

Ploceus insignis | (Sharpe, 1891)

Sharpe beschreef de soort in 1891 als Sycobrotus insignis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ploceus werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Ploceus komt van het Griekse plokeus, 'vlechter, wever', naar het bolvormige, strak gevlochten nest waar wevers hun naam aan danken. insignis is Latijn voor 'opvallend, voornaam' — naar het contrastrijke zwart-gele verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mount Elgon (Oeganda/Kenia).