Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Choristerlawaaimaker
Choristerlawaaimaker | Cossypha dichroa
Chorister Robin-Chat | Cosifa Bicolor
De choristerlawaaimaker is de grote, donkere lawaaimaker van de afromontane en mistgordelbossen in het oosten van Zuid-Afrika. Hij is endemisch voor Zuid-Afrika en Eswatini en staat bekend om zijn rijke zang vol nabootsingen, die in het bladerdak van het bos ver draagt.
Geluid
De zang is een krachtige, afwisselende reeks van eigen fluittonen en nabootsingen van onder meer boskoekoeken, loofbuulbuuls, de Knysnaturako en zelfs roofvogels, vaak lang volgehouden vanuit het bladerdak. De roep is een droef, dalend tsjoe-tsjoe-wi of tjoe-er en bij alarm een schor gekras.
Opname: Ian-Malcolm Rijsdijk — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
De grootste lawaaimaker van het gebied, 19 tot 20 cm. Kop, wangen, rug en vleugels zijn donker leigrijs tot zwartgrijs, zonder wenkbrauwstreep. De hele onderzijde van keel tot onderstaartdekveren is warm oranjegeel tot oranjerood, en de stuit en de buitenste staartpennen zijn oranje met donkere middelste pennen. Snavel zwart, poten grijsbruin. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn donker gevlekt met oker. Houdt zich vaker hoger in het bos op dan andere lawaaimakers, tot in het middenbladerdak.
Verwarringssoorten
De roodkaplawaaimaker (Cossypha natalensis) is kleiner en heeft een oranje kop en blauwgrijze vleugels, en leeft in warmer laagland- en kustbos; in de winter kunnen beide in hetzelfde bos zitten. De Kaapse lawaaimaker (Dessonornis caffer) en de witbrauwlawaaimaker (Cossypha heuglini) hebben een witte wenkbrauw. Het sterrenpaapje (Pogonocichla stellata) is veel kleiner, met een gele onderzijde en witte vlekjes in de staart.
Leefgebied
Afromontaan en mistgordelbos met een dicht bladerdak, van zeeniveau in het zuiden tot ongeveer 1800 m; in de winter trekt een deel naar lager gelegen bos, kloofbos en dichte kustbosjes. Foerageert op insecten in het middenbladerdak en op de bosbodem, en eet veel vruchten en bessen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch voor Zuid-Afrika en Eswatini. Van de Amatola-bergen en de bossen van de Oost-Kaap noordwaarts door KwaZulu-Natal, langs de Drakensbergrand en het Escarpment van Mpumalanga tot de mistgordelbossen van Limpopo (Magoebaskloof, Soutpansberg), met enkele populaties in het westen van Eswatini. De soort komt buiten deze regio niet voor.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bezoek in de lente en vroege zomer een bergbos zoals de Magoebaskloof, Hogsback of Karkloof en luister bij zonsopgang naar een luide zanger vol imitaties hoog in de bomen. Zoek vervolgens naar een donkere vogel met een oranje buik in het middenbladerdak; hij zit vaak stil op een horizontale tak.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen in beschermde bossen, maar afhankelijk van afromontaan bos, dat door kap, aanplant van exoten en branden versnipperd raakt. Waar het bos intact blijft, zijn de aantallen stabiel.
Wetenschappelijke naam
Cossypha dichroa | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Muscicapa dichroa; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cossypha werd in 1825 ingevoerd door Vigors. Cossypha komt van het Griekse kossyphos, 'merel' — naar de merelachtige bouw en de luide, melodieuze zang van de lawaaimakers. dichroa komt van het Griekse dikhroos, 'tweekleurig' — naar de scherpe tweedeling tussen de donkere bovenkant en de oranje onderkant. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika (niet nader bepaald).

