Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Diksnavelkoekoek
Diksnavelkoekoek | Pachycoccyx audeberti
Thick-Billed Cuckoo | Críalo Piquigrueso
De diksnavelkoekoek is een schaarse, grote koekoek van hoog bosveld, met een zware snavel, lange vleugels en een vlucht die aan een kleine roofvogel doet denken. Hij legt zijn eieren vrijwel uitsluitend bij Retz' klauwier, een helmklauwier die in groepen broedt. Door zijn onopvallende kleuren en rustige leefwijze in de kruinen is hij een van de lastigste koekoeken van het gebied om te vinden.
Geluid
Een luid, fluitend wie-wie-wiet of wieru-wiek, wieru-wiek, vele malen herhaald, vaak in de vlucht boven de kruinen of vanaf een hoge tak. Daarnaast een snelle, hoge reeks wie-wie-wie-wie. De roep is het beste aanknopingspunt om de soort te vinden.
Opname: Murray Christian — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
34–36 cm, met lange, spitse vleugels en een lange, afgeronde staart. Volwassen vogels zijn van boven effen donker grijsbruin, van onderen wit, met een lichte grijze waas op de borst; de staart heeft onderaan brede donkere en witte banden en witte toppen. De snavel is opvallend dik en zwaar, zwart met een gele basis, en de oogring is geel. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn heel anders en opvallend: kop en onderdelen wit, met een donker gevlekte kruin en een donkere streep achter het oog, en de bruine bovendelen zijn wit geschubd door witte veerranden. Vliegt met trage, diepe slagen van de lange vleugels, soms in een slepende baltsvlucht boven het bladerdak.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse koekoek Cuculus gularis en de koekoek Cuculus canorus zijn grijzer en hebben fijn gebandeerde onderdelen. De Afrikaanse koekoekswouw Aviceda cuculoides heeft een kuifje en roestbruin gebandeerde buik. De gabarhavik Micronisus gabar is kleiner, met gebandeerde onderdelen en rode poten. De combinatie van effen witte onderdelen, zware snavel en lange vleugels is kenmerkend; het witte jeugdkleed is onmiskenbaar.
Leefgebied
Hoog en goed ontwikkeld bosveld: miombo, mopaneveld met grote bomen, bosveld met Zambezi-teak en oeverbos langs grote rivieren, overal waar Retz' klauwier Prionops retzii broedt. Houdt zich meestal op in de kruinen en eet vooral harige rupsen, daarnaast sprinkhanen en andere grote insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied vooral in Mozambique, het noorden en oosten van Zimbabwe (inclusief de Zambezivallei), Malawi, Zambia en Angola; schaars tot zeldzaam in het noordoosten van Zuid-Afrika (Krugerpark en omgeving), in het uiterste noorden van Botswana en in de Zambezi-regio van Namibië. In het zuiden van het areaal waarschijnlijk vooral zomergast. Daarbuiten verspreid en schaars in bosrijk Afrika ten zuiden van de Sahara, van Guinee tot Kenia, maar afwezig in grote delen van het Congobekken.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Oktober tot januari, als de vogels roepen en baltsen: luister in miombo of hoog mopaneveld naar het herhaalde fluiten boven de kruinen en kijk dan omhoog naar een langvleugelige vogel met trage slagen. Een andere methode is een groep Retz' klauwieren te volgen; die jagen een koekoek die hun nest nadert fel weg.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar over het hele areaal schaars. In zuidelijk Afrika geldt de soort als zeldzaam; kap en versnippering van hoog bosveld, en daarmee het verlies van zijn gastheer, vormen de belangrijkste bedreiging. Door zijn onopvallendheid is hij vermoedelijk ondergemeld.
Wetenschappelijke naam
Pachycoccyx audeberti | (Schlegel, 1879)
Schlegel beschreef de soort in 1879 als Cuculus Audeberti; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pachycoccyx werd in 1882 ingevoerd door Cabanis. Pachycoccyx komt van het Griekse pachys, 'dik', en kokkyx, 'koekoek' — naar de opvallend zware snavel. audeberti eert de Duitse natuuronderzoeker Joseph Peter Audebert (1848–1933), die vanaf 1875 in opdracht van Hermann Schlegel (Leiden) dieren op Madagaskar verzamelde; Schlegel beschreef de soort in 1879. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ambodikilo bij Mananara, Baai van Antongil, Madagaskar.


