Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Donsstormvogel
Donsstormvogel | Pterodroma mollis
Soft-Plumaged Petrel | Petrel Collar Gris
De donsstormvogel is de meest geziene Pterodroma van zuidelijk Afrika: een grijs-witte stormvogel met een donkere ondervleugel en een grijze borstband, die in snelle, hoge bogen over de golven zwiert. Hij broedt op de Prins Edwardeilanden en wordt op vrijwel elke pelagische tocht vanuit Kaapstad buiten de winter gezien.
Geluid
Op zee zwijgzaam. Op de broedplaatsen 's nachts een hoog, klagend gejank en een langgerekt, kreunend ooo-ee, in vlucht en vanuit de holen.
Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 34 cm, slank, met lange, gebogen vleugels en een korte, dikke zwarte snavel. De bovendelen zijn donker leigrijs met een vage donkere M-tekening over de vleugels en een iets lichtere stuit. De onderdelen zijn wit, met een grijze borstband die volledig of onderbroken kan zijn, en een donkere vlek rond het oog die afsteekt tegen een wit voorhoofd en keel. De ondervleugel is geheel donkergrijs, soms met een smalle lichte streep langs de dekveren. Er bestaat een zeldzame donkere vorm die vrijwel geheel grijs is. De poten zijn vleeskleurig met donkere tenen. Vliegt snel en wendbaar, in hoge bogen en met korte series vleugelslagen.
Verwarringssoorten
Schlegels stormvogel (Pterodroma incerta) is groter en bruiner, met een volledig bruine kop en borst. De witkopstormvogel (Pterodroma lessonii) is groter, met een witte kop en witte staart. De gon-gon (Pterodroma feae) mist meestal de volledige borstband en heeft een lichtere, contrasterende stuit en staart; Baraus stormvogel (Pterodroma baraui) heeft een witte ondervleugel. De Kerguelenstormvogel (Aphrodroma brevirostris) is geheel grijs, zonder witte buik.
Leefgebied
Diepe, open oceaan in subtropische en subantarctische wateren, vooral langs de rand van het continentale plat en boven koude-warme fronten. Eet vooral inktvis, verder vis en kreeftachtigen, die 's nachts en in de schemering van het oppervlak worden gepikt. Volgt zelden schepen. Broedt in holen op begroeide hellingen van oceanische eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied een broedvogel op Marion en Prince Edward, waar de vogels in de zuidelijke zomer eieren leggen. Voor het vasteland een vrij algemene bezoeker van diep water voor West- en Zuid-Kaap, het talrijkst van oktober tot april; schaarser voor Namibië en in de Agulhasstroom tot KwaZulu-Natal. Daarbuiten broedt de soort op Gough, Tristan da Cunha, de Crozet- en Kerguelen-eilanden en de Antipoden, en foerageert over de hele zuidelijke Atlantische en Indische Oceaan.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het best op pelagische tochten vanuit Kaapstad of Simon's Town tussen oktober en april, bij de rand van het plat, zo'n 30–40 zeemijl uit de kust. De vogel komt zelden naar trawlers maar schiet er vaak in de verte langs; let op een snelle grijze stormvogel met een donkere ondervleugel en witte buik die hoog opzwaait boven de golven.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een grote en waarschijnlijk stabiele wereldpopulatie. Op Marion nam de soort toe na de uitroeiing van katten; de kolonies op Gough lijden onder predatie door ingevoerde muizen. Bijvangst in de visserij lijkt voor deze soort weinig uit te maken.
Wetenschappelijke naam
Pterodroma mollis | (Gould, 1844)
Gould beschreef de soort in 1844 als Procellaria mollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pterodroma werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Pterodroma is Grieks, van pteron 'vleugel' en dromos 'loop, hardloper', naar de snelle, zwierende vlucht. mollis is Latijn voor 'zacht' — naar het zachte, dichte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijke Atlantische Oceaan.

