Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Duifprion
Duifprion | Pachyptila turtur
Fairy Prion | Prión Piquicorto
De duifprion is de kleinste en lichtste van de prionen die in het gebied voorkomen, een blauwgrijs zeevogeltje met een opvallend brede zwarte staartpunt. Hij broedt in kleine aantallen op de Prins Edwardeilanden en is voor de kust van het vasteland een schaarse wintergast.
Geluid
Op zee zwijgzaam. Op de broedplaatsen een koerend, kirrend koo-roo-roo en krassende geluiden, vooral 's nachts.
Opname: Todd Mark — CC BY-NC-SA 3.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 25 cm, een kleine, compacte prion. De bovendelen zijn helder blauwgrijs met een scherpe zwarte M-tekening over de vleugels. De kop is licht, met een zwakke witte wenkbrauwstreep en slechts een vage donkere oogstreep, zodat het gezicht vrij egaal oogt. De onderdelen zijn wit, met hooguit een kleine grijze vlek aan de zijkant van de borst. De staart heeft een brede zwarte eindband die een derde tot de helft van de staartlengte beslaat, breder dan bij de andere prionen. De snavel is kort, blauw en smal. Vliegt laag en zwenkend over de golven, vaak in groepen.
Verwarringssoorten
De dunbekprion (Pachyptila belcheri) heeft een duidelijker gezichtstekening met een brede witte wenkbrauwstreep, een zwakkere M en een smalle zwarte staartband. De Antarctische prion (Pachyptila desolata) en de Salvins prion (Pachyptila salvini) zijn groter, met een bredere snavel, een donkerder kopzijde en een smallere staartband. De blauwe stormvogel (Halobaena caerulea) heeft een witte staartpunt.
Leefgebied
Koele tot koude oceaan, vaak boven het continentale plat en bij fronten. Pikt al fladderend en rennend over het water krill en andere kleine kreeftachtigen van het oppervlak. Broedt in rotsspleten, tussen stenen en op kliffen van subantarctische eilanden, minder in holen dan de andere prionen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied een schaarse broedvogel op Marion en Prince Edward. Voor het vasteland een schaarse wintergast ver voor de West- en Zuid-Kaap, soms na stormen op de kust aangespoeld. Daarbuiten broedt de soort op de Falklandeilanden, Zuid-Georgia, de Crozet- en Kerguelen-eilanden, eilanden bij Tasmanië en Nieuw-Zeeland en de subantarctische eilanden in de Stille Oceaan.
Hoe en wanneer kijken
Prionen zijn op zee lastig; een duifprion wordt het best herkend aan de zeer brede zwarte staartpunt op foto's van boven. Tijdens winterse pelagische tochten vanuit Kaapstad kunnen ze tussen de Antarctische prionen zitten. Dode vogels op de vloedlijn zijn aan snavelbreedte en staartband betrouwbaar op naam te brengen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie telt vele miljoenen vogels. Op Marion is de kleine populatie gevoelig voor muizen en vroeger voor katten; elders vormen ingevoerde ratten de grootste bedreiging voor de kolonies.
Wetenschappelijke naam
Pachyptila turtur | (Kuhl, 1820)
Kuhl beschreef de soort in 1820 als Procellaria turtur; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Pachyptila komt van het Griekse pakhus, 'dicht, dik', en ptilon, 'veer' — naar het dichte, zachte verenkleed van de prions. turtur is Latijn voor 'tortelduif' — naar het zachte blauwgrijze verenkleed en het duifachtige voorkomen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Niet opgegeven.

