Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Noordelijke reuzenstormvogel
Noordelijke reuzenstormvogel | Macronectes halli
Northern Giant Petrel | Abanto Marino Subantártico
De noordelijke reuzenstormvogel is de tweelingsoort van de zuidelijke reuzenstormvogel: even groot, even vraatzuchtig en pas in de jaren zestig als aparte soort erkend. Hij broedt noordelijker, op subantarctische eilanden, en vroeger in het seizoen.
Geluid
Als de zuidelijke reuzenstormvogel: op zee meestal stil, bij voedsel een schor, balkend gekras en gorgelende dreiggeluiden. In de kolonie kakelende roepen.
Opname: Hichem MACHOUK — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
80–90 cm, spanwijdte tot 2 m; mannetjes zijn duidelijk zwaarder dan vrouwtjes. Volwassen vogels zijn grijsbruin met een wat lichter, gevlekt gezicht en een donkere kruin, zonder de scherp afgetekende lichte kop en borst van de zuidelijke soort. De zware, hoornkleurige snavel heeft een roodbruine tot roze-bruine punt; het oog is bij volwassen vogels vaak licht. Er bestaat geen witte vorm. Jonge vogels zijn egaal zwartbruin met een donkere snavelpunt die pas later roodbruin kleurt. Vlucht als de zuidelijke reuzenstormvogel: stijf, met bultige rug en lange glijvluchten.
Verwarringssoorten
De zuidelijke reuzenstormvogel (Macronectes giganteus) heeft een lichtgroene snavelpunt en bij volwassen vogels een lichtere, scherper afgetekende kop en borst; een geheel witte vogel is altijd een zuidelijke. Jonge vogels van beide soorten zijn zonder goed zicht op de snavelpunt vaak niet te onderscheiden. De witkinstormvogel Procellaria aequinoctialis en de zwarte albatros Phoebetria fusca zijn slanker en missen de zware, bleke snavel.
Leefgebied
Open zee, het continentale plat en kustwateren, ook havens; komt aan land bij robben- en pinguïnkolonies om aas te eten en volgt vissersschepen. Broedt verspreid, vaak afzonderlijk, in beschutte, begroeide terreinen van subantarctische eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedt op Marion en het Prins Edwardeiland. Voor het vasteland vooral van mei tot oktober; voor de West-Kaap in de winter gewoonlijk talrijker dan de zuidelijke reuzenstormvogel. Jonge vogels zwerven langs de westkust tot Namibië en Angola en langs de oostkust tot KwaZulu-Natal en Mozambique. Broedt verder op Zuid-Georgia, Crozet, Kerguelen, Macquarie, de Chatham-, Antipoden-, Auckland- en Campbelleilanden; zwerft over de zuidelijke oceanen tussen ongeveer 30° en 60° ZB.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op pelagische tochten uit Kaapstad in de winter meestal de gewoonste reuzenstormvogel achter de trawlers. Zoek naar de roodbruine snavelpunt, bij voorkeur als de vogel op het water ligt. Ook zichtbaar vanaf de kust bij Kaap de Goede Hoop en in havens als Hout Bay en Kalkbaai.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, na een eerdere indeling als gevoelig. De populaties zijn de laatste decennia stabiel of licht toegenomen. Bijvangst in beuglijnvisserij en de achteruitgang van zeehonden- en pinguïnprooien zijn de belangrijkste zorgen; op de broedeilanden zijn ingevoerde roofdieren bestreden.
Wetenschappelijke naam
Macronectes halli | Mathews, 1912
Mathews beschreef de soort in 1912 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Macronectes werd in 1905 ingevoerd door Richmond. Macronectes komt van het Griekse makros, 'groot', en nēktēs, 'zwemmer' — 'grote zwemmer', naar deze reusachtige stormvogels. halli eert de Australische ornitholoog Robert Hall (1867–1949), die de broedvogels van de Kerguelen beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kerguelen.
