Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Eksterbabbelaar

Eksterbabbelaar | Turdoides bicolor

Southern Pied Babbler | Turdoide Bicolor

De eksterbabbelaar is met zijn spierwitte lichaam en zwarte vleugels en staart de opvallendste babbelaar van het gebied en een kenmerkende vogel van het Kalahari-doornveld. Hij is endemisch voor zuidelijk Afrika en een van de best onderzochte coöperatieve broedvogels ter wereld.

Eksterbabbelaar (Turdoides bicolor)
Foto: Monkey Boy from Johannesburg, South Africa — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, hoog en schril koorgekakel, kwèèr-kwèèr-kwèèr-kwerr, door de hele groep tegelijk, hoger en helderder dan dat van de pijlpuntbabbelaar. Tijdens het foerageren houdt een vogel op wacht de groep met zachte ‘waakzang’ gerust; alarm is een scherp, schetterend tsjerr.

Luister: RoepXC715767

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–26 cm. Een forse babbelaar met een lange staart. Kop, hals, rug en de hele onderzijde zijn zuiver wit. De vleugels en de staart zijn zwart tot zwartbruin en steken scherp af tegen het witte lichaam. Het oog is roodbruin tot oranjerood, de snavel en poten zijn zwart. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn heel anders: bij het uitvliegen grotendeels lichtbruin, waarna ze in de loop van het eerste jaar vlekkerig bruin-wit en ten slotte wit worden; groepen met zulke bonte jongen zijn dan ook lastiger te herkennen.

Verwarrings­soorten

De naaktwangbabbelaar Turdoides gymnogenys in het noordwesten van Namibië heeft ook een witte kop en onderzijde, maar een roestbruine mantel en rug en een kale zwarte huidvlek achter het oog; hij leeft in rotsige heuvels en droge rivierbeddingen. De witkruinklauwier Eurocephalus anguitimens heeft alleen een witte kruin en keel, een grijsbruin lichaam en een zwart oogmasker, en zit rechtop op uitkijkposten. Bruine jonge eksterbabbelaars zijn van de pijlpuntbabbelaar Turdoides jardineii te onderscheiden aan het gezelschap van witte groepsleden en het ontbreken van witte pijlpunten.

Leefgebied

Acaciadoornveld en Kalahari-savanne met verspreide bomen en struiken op rood zand, ook drogere gemengde savanne en boerenland met doornbos. Groepen van drie tot vijftien vogels foerageren vooral op de grond, waarbij ze met de snavel in het zand naar larven, kevers en schorpioenen graven, terwijl een wachter vanaf een boom uitkijkt. Broedt coöperatief. De treurdrongo Dicrurus adsimilis volgt de groepen en gebruikt valse alarmroepen om prooien van de babbelaars af te pakken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor zuidelijk Afrika. Wijdverspreid in Botswana (behalve het noordoosten en de Okavango), in het midden, noorden en oosten van Namibië, in het westen en noorden van Zuid-Afrika (Noord-Kaap ten noorden van de Oranjerivier, Noordwest, het westen van Limpopo) en in het zuidwesten van Zimbabwe (Matabeleland). Niet buiten het gebied.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond en in de Kalahari vrij gemakkelijk. Rijd langzaam door het doornveld in het Kgalagadi Transfrontier Park, de Centraal-Kalahari of rond Kuruman en luister naar het schrille koorgekakel; de witte vogels zijn dan van ver te zien als ze in een groep van struik naar struik vliegen. Rond de onderzoeksreserve aan de Kurumanrivier zijn groepen gewend aan mensen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in het grootste deel van het areaal. Langdurig onderzoek aan de Kurumanrivier laat zien dat hogere temperaturen en langere droogteperiodes het broedsucces sterk verlagen, waardoor klimaatverandering een reële toekomstige bedreiging vormt.

Wetenschappelijke naam

Turdoides bicolor | (Jardine, 1831)

Jardine beschreef de soort in 1831 als Cratopus bicolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Turdoides werd in 1826 ingevoerd door Cretzschmar. Turdoides komt van het Latijnse turdus, 'lijster', met het Griekse achtervoegsel -oidēs, 'gelijkend op' — naar het lijsterachtige postuur van de babbelaars. bicolor is Latijn voor 'tweekleurig' — naar het contrast van het witte lichaam met de zwarte vleugels en staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika (niet nader bepaald).