Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Elfenastrild

Elfenastrild | Brunhilda erythronotos

Black-Faced Waxbill | Estrilda Carinegra Sureña

De elfenastrild is een langstaartige astrild van droge doornsavanne, fijn grijs gebandeerd, met een zwart masker en een karmijnrode stuit. Paren en kleine groepjes foerageren onopvallend in acacia's en komen vaak naar drinkplaatsen.

Elfenastrild (Brunhilda erythronotos)
Hoofdfoto · Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een zacht, klagend en fluitend fwie-fwie-fwieoe of tsie-tsie-tsuu, dat stijgt en daalt; ook een kort tsip tijdens het foerageren. De zang is een zachte, fijne reeks fluittonen.

Luister: RoepXC477148

Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12 tot 13 cm, slank met een lange zwarte staart. Mannetje: kop, rug en vleugels grijs tot grijsbruin, fijn donker gebandeerd; gezicht en keel vormen een zwart masker. Borst en flanken zijn roze-grijs, de flanken met karmijnrode waas; stuit en bovenstaartdekveren helder karmijnrood. Buik en onderstaartdekveren zwart. De snavel is blauwgrijs met een zwarte punt. Vrouwtje: als het mannetje, maar doffer, met een kleiner masker en een grijze in plaats van zwarte buik. Jonge vogels zijn egaal grijsbruin met minder rood op de stuit en nauwelijks bandering.

Verwarrings­soorten

De zwartstaartastrild (Glaucestrilda perreini) is effen blauwgrijs zonder bandering, heeft alleen een zwarte oogstreep en leeft in dichte bosranden in het oosten en noorden. De Cinderella-astrild (Glaucestrilda thomensis) van het noordwesten van Namibië en het zuidwesten van Angola is ook blauwgrijs met een rode stuit, maar heeft een rode snavelbasis, geen zwart masker en geen bandering. Het Sint-Helenafazantje (Estrilda astrild) is bruin met een rode oogstreep en rode snavel. De combinatie van gebandeerde rug, zwart masker en lange zwarte staart is kenmerkend.

Leefgebied

Droge acaciasavanne, Kalahari-doornveld en droog gemengd bosveld, vaak langs droge rivierbeddingen en in dichte doornstruiken, soms in mopaneveld. Foerageert in paren of kleine groepjes in acacia's en struiken op insecten, bladluizen en graszaden, en veel minder op de grond dan de meeste astrilden. Is afhankelijk van water in de buurt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het midden en noorden van Namibië, vrijwel heel Botswana, het noorden van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, Noordwest, Limpopo en de randen van Gauteng en de Vrijstaat), het westen en zuiden van Zimbabwe, het zuiden van Angola en het zuiden en westen van Zambia, marginaal in het zuidwesten van Mozambique. Daarbuiten nauwelijks; de nauw verwante Oost-Afrikaanse zustersoort (Brunhilda charmosyna) werd vroeger tot deze soort gerekend.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best bij drinkplaatsen en waterpunten in de Kalahari, Etosha en het Kgalagadi-park, waar paren 's ochtends komen drinken. Let in doornstruiken op een gedempt fluitend fwie-fwie; de vogels zijn tam maar door hun grijze tint gemakkelijk over het hoofd te zien tot de rode stuit oplicht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Vrij algemeen maar onopvallend in droge savanne, zonder aanwijzingen voor achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Brunhilda erythronotos | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla erythronotos; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Brunhilda werd in 1862 ingevoerd door Reichenbach. Brunhilda verwijst naar Brunhilde (Brünnhilde), een vrouwelijke figuur uit de Germaanse en Noordse sagen. erythronotos komt van het Griekse eruthros, 'rood', en nōtos, 'rug' — naar de wijnrode rug en stuit. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kurrichane, provincie Noordwest, Zuid-Afrika (oorspronkelijk abusievelijk India).