Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Bruine druppelastrild

Bruine druppelastrild | Clytospiza monteiri

Brown Twinspot | Estrilda Parda

De bruine druppelastrild is een warmbruine astrild met een grijze kop en een onderzijde vol witte stippen. Binnen het gebied is het een soort van het bosrijke noorden van Angola, aan de zuidrand van een areaal dat tot in West-Afrika reikt.

Bruine druppelastrild (Clytospiza monteiri)
Foto: Mathias D'haen — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een scherp, hoog tsiet en een zacht getjilp als contactroep. De zang is een gevarieerde reeks hoge fluittonen, trillers en zoemende noten.

Luister: RoepXC319083

Opname: Bram Piot — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een zwartachtige snavel. Kop en nek zijn grijs, rug en vleugels effen donkerbruin, stuit en bovenstaartdekveren karmijnrood; de staart is zwart. De hele onderzijde is warm roodbruin en dicht bezet met witte stippen. Het mannetje heeft een kleine rode vlek midden op de keel, het vrouwtje een witte: het enige verschil tussen de seksen. Jonge vogels zijn egaal bruin zonder stippen en met een grijzere kop. Foerageert in paren of groepjes op de grond aan de rand van struikgewas en in hoog gras.

Verwarrings­soorten

De bruine amarant (Lagonosticta nitidula) is kleiner en bruin met fijne witte stipjes op de borst, maar heeft een rood gezicht en keel in plaats van een grijze kop en een bruine in plaats van karmijnrode stuit. De donkerrode amarant (Lagonosticta rubricata) is roder op de onderzijde, zonder stippen op de buik, en heeft een blauwgrijze snavel. De leigrijze astrild (Euschistospiza cinereovinacea) is veel donkerder, heeft alleen op de flanken stippen en leeft in het hoogland.

Leefgebied

Randen van galerijbos, het mozaïek van bos en savanne, struikgewas en hoog gras aan bosranden, verlaten akkers en ruigte bij dorpen. Foerageert op de grond op graszaden en kleine insecten, meestal dicht bij dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het noorden van Angola: Cabinda, Uíge, Cuanza Norte, Malanje, Lunda Norte en het noorden van Cuanza Sul. Daarbuiten van Nigeria en Kameroen oostwaarts door de Centraal-Afrikaanse Republiek, Congo-Kinshasa en Zuid-Soedan tot Oeganda en West-Kenia.

Hoe en wanneer kijken

In Angola is de soort weinig waargenomen; de meeste meldingen komen uit Uíge en uit de bosranden van het escarpment in Cuanza Sul en Malanje. Loop langs wegbermen en paden met hoog gras aan de rand van galerijbos en let op kleine, donkere vogels die met een flits van de rode stuit de struiken in schieten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over het grote areaal plaatselijk algemeen. Over de Angolese populatie is weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Clytospiza monteiri | (Hartlaub, 1860)

Hartlaub beschreef de soort in 1860 als Pytelia monteiri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Clytospiza werd in 1896 ingevoerd door Shelley. Clytospiza komt van het Griekse klytos, 'prachtig, beroemd', en spiza, 'vink' — 'prachtvink', naar de fijne witte stippen op het donkere verenkleed. monteiri eert de Portugese mijningenieur en natuuronderzoeker Joaquim João Monteiro (1833–1878), die in Angola vogels verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bembe, noordwest-Angola.