Alle soorten › Zangvogels › Elfvliegenvangers › Elfvliegenvanger
Elfvliegenvanger | Stenostira scita
Fairy Flycatcher | Papamoscas Duende
De elfvliegenvanger is een klein, beweeglijk grijs vogeltje met een zwart masker en een staart die voortdurend waaiert en van links naar rechts zwaait. Ondanks de naam is hij geen echte vliegenvanger maar de enige soort in zijn geslacht, verwant aan de kuifvliegenvangers van Elminia. Hij is endemisch voor zuidelijk Afrika.
Geluid
Een ijl, hoog tsie-tsie-tsie en een korte, afdalende triller. De zang is een zachte, snelle reeks sissende en tjirpende noten, gemakkelijk over het hoofd te zien. Roept vaak onafgebroken tijdens het foerageren.
Opname: Dawie de Swardt — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
12 cm. Boven blauwgrijs, met een zwart masker door het oog en een smalle witte wenkbrauwstreep erboven. De vleugels zijn zwart met een opvallende witte lengtestreep over de armpennen. De staart is zwart met witte buitenste pennen, zichtbaar als hij gewaaierd wordt. Keel en borst zijn lichtgrijs, de buik witter met in het midden een zachtroze tot roodachtige vlek, die bij het vrouwtje zwakker is. Snavel en poten zijn zwart. Beweegt rusteloos door het struikgewas en vangt insecten zowel in het blad als in korte vluchtjes.
Verwarringssoorten
De Kaapse meeszanger Curruca subcoerulea en Layards meeszanger Curruca layardi zijn groter en grijs, maar missen het zwarte masker en de witte vleugelstreep, en hebben een gestreepte keel. De Kaapse mees Melaniparus afer heeft een zwarte kap en bef. De Kaapse kapokmees Anthoscopus minutus is veel kleiner, met een korte staart en gele onderzijde. Priritvliegenvanger Batis pririt heeft een zwart-wit patroon met een zwarte borstband of roestbruine borst en een korte staart.
Leefgebied
In de broedtijd laag struikgewas in Nama-Karoo en Sukkulente Karoo, droge fynbos en renosterveld, en struweel langs droge rivierbeddingen, in het oosten ook bergstruweel tot hoog in Lesotho. In de winter in doornveld, bosranden, rivierbegroeiing en tuinen in het warmere noordoosten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedt in het zuiden van Namibië, de West-, Noord- en Oost-Kaap, de Vrijstaat en Lesotho. Na het broedseizoen trekt een groot deel naar het oosten en noordoosten: KwaZulu-Natal, Eswatini, Mpumalanga, Gauteng, Limpopo en de Noordwest-provincie, met enkele vogels tot in het zuidoosten van Botswana. In de Karoo zijn het hele jaar vogels aanwezig. Buiten zuidelijk Afrika komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de Karoo in voorjaar en zomer het makkelijkst te vinden bij struweel langs droge rivierbeddingen en in nationale parken als het Karoo NP en Tankwa. Luister naar het ijle geroep en let op de zwaaiende, gewaaierde staart met wit. In de winter komt hij in het noordoosten ook in tuinen en loopt hij mee met gemengde groepjes zangvogels.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; wijdverbreid en plaatselijk algemeen. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend, al kan overbegrazing in de Karoo het struikgewas plaatselijk verarmen.
Wetenschappelijke naam
Stenostira scita | (Vieillot, 1818)
Vieillot beschreef de soort in 1818 als Muscicapa scita; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stenostira werd in 1850 ingevoerd door Cabanis & Bonaparte. Stenostira komt van het Griekse stenos, 'smal, dun', en steira, 'voorsteven, kiel' — naar het dunne, smalle snaveltje van de elfvliegenvanger. scita komt van het Latijnse scitus, 'fijn, sierlijk' — naar het elegante, fijngebouwde vogeltje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Benedenloop van de Oranjerivier.


