Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Neushoornvogels › Fluitneushoornvogel

Fluitneushoornvogel | Bycanistes fistulator

Piping Hornbill | Cálao Silbador

De fluitneushoornvogel is de kleinste Bycanistes en een bewoner van het West- en Centraal-Afrikaanse regenwoud, die in het gebied alleen het noordwesten van Angola bereikt. Hij is zwart-wit met een lichte snavel en een lage, onopvallende helm.

Fluitneushoornvogel (Bycanistes fistulator)
Foto: Dotun55 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een klagend, fluitend pie-pie-pie-pie en nasale, jammerende roepen, vaak in koor en ook in vlucht. De vleugelslag maakt een hoorbaar ruisend geluid, al minder zwaar dan bij de grote verwanten.

Luister: RoepXC928949

Opname: Albert Vrielink — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 48 cm. Kop, hals, borst, rug en vleugels zijn zwart met een groenige glans; buik, stuit en onderstaartdekveren wit. De armpennen hebben brede witte toppen die in vlucht een witte achterrand vormen, en de buitenste staartpennen zijn grotendeels wit. De snavel is lichtgeel tot crème met een donkere basis en een kleine, lage helm, bij het vrouwtje nog kleiner. De naakte huid rond het oog is donker. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met een kleine snavel.

Verwarrings­soorten

De grijsoorneushoornvogel (Bycanistes subcylindricus) is veel groter, heeft een hoge zwart-crème helm en een groot wit vleugelpaneel. De trompetneushoornvogel (Bycanistes bucinator) is groter, met een grijze helm en roze huid rond het oog. De blauwkeelneushoornvogel (Ceratogymna atrata) is veel groter en heeft geheel zwarte vleugels. De Congolese bonte tok (Lophoceros fasciatus) is kleiner, heeft een gele snavel met rode punt en een zwarte staart met witte toppen.

Leefgebied

Laaglandregenwoud, galerijbos en secundair bos, ook bosranden en oude aanplant met vruchtbomen. Eet vooral vruchten, waaronder vijgen en oliepalmvruchten, aangevuld met insecten. Nestelt in boomholten, waarbij het vrouwtje zich inmetselt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noordwesten van Angola, onder meer in Cabinda en de bossen van Uíge en Cuanza Norte. Verder door het regenwoud van West- en Centraal-Afrika, van Senegal en Guinee tot Kameroen, Gabon, Congo-Brazzaville, Congo-Kinshasa en het westen van Oeganda.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Te zoeken in de bossen van Cabinda en het noordwestelijke Angolese escarpment. Groepen trekken luidruchtig van boom naar boom en zijn het best te vinden bij vruchtdragende vijgen of oliepalmen. Let in vlucht op de witte achterrand van de vleugel en de lichte snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in grote delen van het West- en Centraal-Afrikaanse bos algemeen, ook in gedegradeerd bos. In Angola is het leefgebied beperkt en neemt het af door kap en omzetting naar landbouwgrond; ook jacht speelt plaatselijk een rol.

Wetenschappelijke naam

Bycanistes fistulator | (Cassin, 1850)

Cassin beschreef de soort in 1850 als Buceros Fistulator; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bycanistes werd in 1860 ingevoerd door Cabanis & Heine. Bycanistes komt van het Griekse bykanistēs, 'trompetter' — naar de luide, balkende en trompetterende roep van deze neushoornvogels. fistulator is Latijn voor 'fluitspeler', van fistula, 'rietfluit' — naar de fluitende, klaaglijke roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.