Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels
Hoppen en neushoornvogels | Bucerotiformes
Hoopoes and hornbills | Abubillas y cálaos
Een orde die vooral op moleculaire gegevens bij elkaar staat: de families die er in zuidelijk Afrika deel van uitmaken — hoppen, kakelaars en neushoornvogels — lijken uiterlijk weinig op elkaar en lopen sterk uiteen in formaat, van een vogel van dertig gram tot een van vier kilo. Wat ze delen is een lange, naar beneden gebogen snavel die als een pincet werkt en niet als een klem, korte poten, en brede, afgeronde vleugels die een fladderende, weinig gestroomlijnde vlucht geven. Ook anatomisch is er een gedeeld kenmerk: de eerste twee halswervels zijn vergroeid, wat de zware snavel steunt. Alle soorten broeden in een holte in een boom, een rotsspleet, een termietenheuvel of een muur, die niet of nauwelijks wordt bekleed. Prooien en vruchten worden stuk voor stuk in de snavelpunt naar het nest gedragen in plaats van uitgebraakt, en de jongen komen naakt en hulpeloos uit het ei.
Families in deze orde
- Neushoornvogels | Bucerotidae15 soortenMiddelgrote tot zeer grote vogels met een lange, naar beneden gebogen snavel die bij veel soorten wordt gedekt door een hoornen opzetstuk, de helm, die van een lage kiel tot een holle kam kan reiken en door luchtholtes licht blijft. De kop is smal, zodat de vogel de eigen snavelpunt kan zien; de eerste twee halswervels zijn vergroeid en nekspieren en sleutelbeenderen zijn versterkt om het gewicht van de snavel te dragen, en de oogleden dragen lange, stijve wimpers. De snavelpunt werkt als een pincet: voedsel wordt ertussen geklemd, met een korte kopworp in de lucht gegooid en zo naar de keel gebracht, omdat de tong te kort is om het naar binnen te werken. Bij de boombewonende soorten metselt het vrouwtje zich in een holte in met een mengsel van modder, uitwerpselen en vruchtvlees tot alleen een smalle verticale spleet overblijft, waardoor het mannetje haar en later de jongen voert; ze blijft daar weken tot maanden en ruit bij een deel van de geslachten in die tijd slag- en staartpennen in een keer. De hoornraven wijken hiervan af: die metselen niet dicht, zoeken hun voedsel lopend op de grond en broeden in groepsverband met helpers. De vlucht is zwaar en bij de grotere soorten luid ruisend, doordat de vleugeldekveren de bovenarm niet volledig afdekken en de lucht tussen de slagpennen door slaat.
- Hoppen | Upupidae1 soortEen lange, dunne, licht gebogen snavel die tot aan de basis in de grond wordt gestoken; de vogel kan de snavelhelften ook ónder de grond uit elkaar duwen om een engerling of veenmol te grijpen, en werkt daarbij mee met krachtige poten met korte nagels. De kuif is een rij zwartgepunte veren die als een waaier overeind kan worden gezet en verder plat op de kop ligt. De brede, ronde vleugels zijn opvallend zwart-wit gebandeerd en geven een golvende, fladderende vlucht die eerder aan een grote vlinder doet denken dan aan een vogel. Er wordt gebroed in een onbeklede holte; het broedende vrouwtje en de jongen scheiden uit de stuitklier een stinkende, naar rottend vlees riekende vloeistof af, en de jongen spuiten bovendien hun ontlasting naar een indringer.
- Kakelaars | Phoeniculidae4 soortenEen uitsluitend Afrikaanse familie van negen soorten in twee geslachten, waarvan er vier in dit gebied voorkomen. Kakelaars zijn slanke, langstaartige vogels met een glanzend zwart verenkleed dat in het licht paars, blauw of groen oplicht. De staart is lang en getrapt, vaak met witte vlekken of banden. De lange, dunne snavel is bij Phoeniculus matig gebogen en bij de sikkelbekken (Rhinopomastus) sterk sikkelvormig. Ze gebruiken hem om in schorsspleten, onder losse schors en in rot hout naar insecten, larven en spinnen te peuteren. Daarbij klauteren ze met sterke, gekromde tenen over stammen en takken, soms met de buik naar boven. De boskakelaars trekken in luidruchtige familiegroepen door savanne en bos. Het koor van kakelende, oplopende roepen waarmee de groep een territorium markeert, gaf de familie haar Nederlandse naam. Sikkelbekken leven meer alleen of in paren. Kakelaars broeden in boomholten, vaak oude holen van spechten of baardvogels. Het vrouwtje broedt de twee tot vier eieren alleen uit. Bij de Groene kakelaar voeren helpers uit eerdere broedsels het broedende vrouwtje en de jongen mee. De groep overnacht samen in holten, wat warmte bespaart. Een scherp riekende afscheiding van de stuitklier, bij nestjongen extra sterk, maakt het nest onaantrekkelijk voor rovers.